De schipper en stuurman van de ‘Hilda’ hadden in 1928 een zeer teleurstellende ervaring. Het was november toen het stoomschip ‘Hagfors’ op het Borkumriff verdaagde. Rottumeroog had geen haven, waardoor de reddingboot gewoonlijk op diep water ten anker lag. Bij de nadering van slecht weer was de bemanning aan boord. Eventuele opdrachten kregen ze vanaf het eiland met vlaggenseinen of met de morselamp. Er volgde een zeer zware storm. De mannen hielden beurtelings uitkijk aan dek, maar het eiland meldde zich de hele nacht niet. Toen het daglicht doorbrak, ontwaarde schipper Kuiper een vlag aan de eilander seinmast: de ‘Hilda’ moest naar het Borkumriff! De ‘Hilda’ ging onmiddellijk varen.
Op het Borkumriff zat het stoomschip ‘Hagfors’ midden in de kokende brekers. Op het schip was geen teken van leven te bespeuren. Toen men daar zekerheid over had verliet de ‘Hilda’ de branding en keerde ze terug naar haar ankerplaats bij Rottum. Het slechte weer hield nog een aantal dagen aan, maar toen het eindelijk opklaarde, vertrok de ‘Hilda’ van haar ankerplaats naar Noordpolderzijl om het scheepsproviand aan te vullen. En daar hoorden de schipper en zijn stuurman in het Zielhoes dat de ‘Hilda’ in de eerste stormnacht niet op morseseinen van het eiland had gereageerd en dat men daarom de ‘Insulinde’ van Oostmahorn naar het Borkumriff had gestuurd. De ‘Insulinde’ had vier schipbreukelingen aan land gebracht. Een evaluatie leerde dat men ‘s nachts op Rottum naar de ‘Hilda’ had geseind met het vuurtorenlicht achter zich. De lichtflitsen van de seinlamp waren door dat sterkere licht verdrongen en daardoor aan boord niet opgemerkt. De toch al niet erg spraakzame schipper van de ‘Hilda’ sleet de volgende dagen in een nog grotere zwijgzaamheid dan gewoonlijk.
Terug naar het verhaal, Reddingwerkzaamheden vanaf het eiland Rottumeroog