Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen Arts Ludolph Smids als 17e-eeuwse stadsdichter
Gecontroleerd door redactie

Arts Ludolph Smids als 17e-eeuwse stadsdichter

[1594-1795]
Afbeelding bij dit verhaal

Groningen kent sinds enige tijd een stadsdichter. Ruim driehonderd jaar geleden fungeerde arts Ludolph Smids als zodanig. Bij bruiloften, begrafenissen en rampen maakte hij gedichten. Hij liet zich echter bij voorkeur inspireren door vrouwen als de eveneens dichtende Titia Brongersma.

Omdat de ouders van Ludolph Smids katholiek zijn en het doopboek uit die tijd niet meer bestaat, is zijn geboortedatum onbekend. Wel is bekend dat hij zich op 23 november 1668 als 20-jarige laat inschrijven aan de Groninger universiteit voor een studie medicijnen. Later studeert Smids nog in Leiden en Franeker, maar in 1674 is hij terug in zijn geboortestad om te trouwen met de gereformeerde Maria Tinge en zich te vestigen als arts. Drie jaar later worden Smids en zijn vrouw eigenaren van een dubbel huis aan de zuidzijde van de Brugstraat (de huidige nummers 18 en 20).

De eerste literaire activiteiten ontplooit Smids in zijn studietijd. Naast Latijnse gedichten ter gelegenheid van diverse promoties, schrijft hij in 1670 ‘De spookende minnaar, of de verdrukte gelieven’. Later bewerkt hij dit blijspel meerdere malen en het verschijnt pas na zijn dood. Na het overlijden van zijn vrouw en één van zijn kinderen bekeert Ludolph zich op 1682 tot het protestantisme. Terugblikkend op zijn katholieke tijd dicht hij: ‘Smids, drie en dertig jaar, met Papen droom, en fabel; Bedrogen, en misleid, door ’t Jesus-last’rend Babel; Doch, eind’lijk, door een sterke en onweerstaanbre stem; Geroepen, en gevoerd in een Jerusalem’.

De volgende jaren is Ludolph Smids een echte stadsdichter. Hij maakt gedichten naar aanleiding van de oprichting van een muziekcollege, de komst en het vertrek van stadhouder Hendrik Casimir en zijn vrouw in Groningen, overlijdens en huwelijken van diverse vooraanstaande stadjers. Zelf trouwt Smids ook weer. Hij treedt in 1684 in het huwelijk met de Amsterdamse Anna de Groot. Zijn grote muze lijkt echter een andere vrouw, de vermoedelijk in Dokkum geboren maar in Groningen wonende Titia Brongersma. Zij wordt vooral bekend vanwege haar ontdekking van het ‘groote keye-slott’ van Borger pinksteren 1685. Ze onderzoekt het hunebed en bezingt het, waarna Ludolph Smids de dichteres op zijn beurt in een lofdicht verheerlijkt. Ook nadat Smids en zijn tweede vrouw in 1686 naar Amsterdam zijn verhuisd, blijft het dichterlijk contact tussen Ludolph en Titia bestaan en weten zij elkaar meerdere keren poëtisch te bevruchten.

Op 10 juli 1686 verkoopt Smids zijn uit ‘twee diverse woningen’ bestaande ‘behuisinge’ in de Brugstraat. De acte in het rechterlijk archief vermeldt dat Smids de ene woning ‘met een bequame brouwerije (!), stallinge ende vrije uitvaert’ zelf heeft bewoond en de andere ‘door de coopman Willem Geerts Betinck tegenwoordig wordt gebruickt’. Enkele maanden later verkoopt hij nog enkele panden in de stad die, net als het dubbele huis in de Brugstraat, blijkens de verkoopacte op zijn naam en die van zijn eerste echtgenote Maria Tinge stonden. Hoewel Smids al zijn materiële banden met Groningen verbreekt, blijft hij er in zijn gedichten mee verbonden. Zo doet een grote overstroming, waarbij op 22 november 1686 honderden doden vallen, hem dichten: ‘Sie daar! Sie daar de sluysen los gewrongen!; het hol gety in Hunsingo gedrongen!; Het Fivlingo, en ’t vette Old-Amt, o wee!; Veranderd in een zee!’

In 1694 verzamelt Smids zijn verspreide gedichten in de bundel Poësye, dat hij opdraagt aan de Amsterdamse burgemeester Nicolaas Witsen. Smids’ eigen dood - op 7 mei 1720 - wordt bezongen door diens vriend, de schrijver Pieter Langendijk.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.

Verwante items