In de jaren veertig ging men niet vaak ver weg op vakantie. De meeste mensen gingen helemaal nergens naar toe. Waarom zou je ook? Sommige familieleden hadden een tuin, de bomen waren overal gelijk en de portemonnee was karig gevuld. Daarom ging de vakantie van de familie Borgman uit de stad Groningen vaak naar opa en oma in Stadskanaal. Thuis hadden we slechts een balkon van anderhalve vierkante meter, waar ’s zomers een emmer stond met flessen melk, want niemand had toen een koelkast. Ook was daar de bekende kolenopslag, want niemand had centrale verwarming en alleen de achterkamer werd ’s winters verwarmd. Opa en oma woonden aan de Hoofdstraat. Ze hadden een grote tuin met wandelpaden en hoge bomen, zodat je ‘gelukkig’ niet in de zon zat en bruin werd. Dit beschouwde men niet als een kleur voor de betere stand. Ook was er een boomgaard en een moestuin. In de hal hing een bruin telefoontoestel aan de muur. Voor mij een wonder, want bijna niemand had telefoon en zo’n model zeker niet. Ook al wilde je een telefoon hebben: deze werd slechts aan enkelen verstrekt; de rest kwam op een lange wachtlijst.
Zo gauw ik per Gadobus was gearriveerd bij het gemeentehuis, wandelden oma en ik naar huis. Daar werd aan mij gevraagd wat ik lekker vond en wat ik de komende dagen wilde eten (vreemd dat dit door mijn moeder nooit werd gevraagd!). Dan pakte oma de telefoon, gaf aan de telefoniste een driecijferig nummer door en werd zo verbonden met kruidenier Gelling. Nadat de bestelling was opgenomen duurde het ongeveer een kwartier en dan werden de boodschappen bezorgd.
Na de reis vroeg ik: ‘Oma mag ik naar de wc?’ ‘Nee kind’ zei ze, ‘die hebben we niet!’ Geen wc? Waar moest ik nu mijn behoefte doen? Oma liep met mij de lange gang door en we kwamen bij een klein kamertje. Onder een raam stond een grote kist met in het midden een deksel. Daar kon ik op gaan zitten. Na gedane arbeid besloot ik eens in de kist te gaan kijken. Ik had geluk: een tractor met een slang stond in de tuin om het gat onder de kist te legen. Daarom was er in de tuin een deksel verwijderd, waardoor het volle licht in de kuil kon schijnen. Nu had ik de mogelijkheid om van dit prachtige schouwspel te genieten: een groot geel meer met bruine heuvels en mooi gekleurde grote vliegen. Zoiets zou ik in mijn leven slechts één keer meemaken.
’s Middags om 14.00 uur zag ik een tweede schouwspel. Oma stond in de keuken haar blote armen te wassen, want het was tijd voor het middagjurkje. Na het wassen ging oma naar haar slaapkamer en trok een middagjurk aan. In de grote woonkamer ging ze bij de hoge tafel zitten met een groten houten kapdoos voor zich. Voor ze het haar ging opmaken deed ze eerst een kapmantel om. Nu was oma klaar om thee te drinken en eventueel visite te ontvangen. Bij de hoge tafel gezeten, was oma aan het handwerken: borduren, breien en verstellen. Oude kleren werden steeds weer gerepareerd, want iets nieuw kopen deed men niet. Oma breide voor mij altijd grijze kniekousen. Als de voet te klein was geworden, knipte oma deze eraf en breide er weer een nieuwe voet aan. Om drie uur kregen we een fris zuurtje en als het vier uur was, werd er thee gedronken met een Maria biscuittje. Soms was het feest. Dan zei oma: ‘pak eens de ronde trommel, dan nemen we nu een echt bakkerskoekje’. Hier moest je wel langzaam van genieten, want een bakkerskoekje kreeg je niet elke dag. Als het vijf uur was geworden en er was geen visite, gingen we samen liedjes zingen uit de bundel ‘Kun je nog zingen, zing dan mee’.
