Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen Burgemeesters en raad
Gecontroleerd door redactie

Burgemeesters en raad

[800-1594]
Afbeelding bij dit verhaal

In de stad Groningen waren het dagelijks bestuur, het formele overheidsgezag en de algehele rechtsmacht in handen van burgemeesters en raad. Jaarlijks trad op de feestdag van St. Petrus ad Cathedram (St. Petrus’ Stoel, 22 februari) de helft van dit uit zestien personen bestaande college af. De vrijgekomen zetels werden op die dag ingenomen door acht nieuwe raadsheren, die op de ‘keurdag’ (8 februari) waren gekozen. De acht ‘oude’ en acht nieuw gekozen raadsheren bepaalden onderling welke vier van hen het komende jaar het burgemeestersambt zouden bekleden. Van de vier burgemeesters behoorden er twee tot de zittende raad, de twee anderen tot de nieuwe.

Het bestuurlijke jaar was in Groningen in vier kwartalen of ‘panden’ verdeeld. Het eerste pand liep van St. Petrus’ Stoel (22 februari) tot Pinksteren, het tweede van Pinksteren tot Vrijmarkt (8 september), het derde van Vrijmarkt tot St. Andreas (30 november) en het vierde van St. Andreas tot St. Petrus’ Stoel. Elk van de vier burgemeesters bekleedde gedurende een van die panden het voorzitterschap van de raad. Voor het vaststellen van de volgorde waarin dat gebeurde schijnt geen vaste regel te zijn geweest. Bij het begin van het bestuurlijke jaar 1585-1586 tekende stadssecretaris Egbert Alting aan dat de burgemeesters hadden afgesproken of geloot-hoe het is gegaan wist hij niet-wie welk pand zou ‘bedienen’.

De ‘presiderend burgemeester’ trad tijdens zijn pand op als hoogste vertegenwoordiger van de staat en was als zodanig het eerste aanspreekpunt voor externe relaties. Aan het einde van de zestiende eeuw was het gebruik dat burgemeesters na afloop van hun twee ambtsjaren tot hoofdman gekozen werden. Zij vervulden ook deze functie weer twee jaar lang, waarna ze opnieuw naar de raad terugkeerden en (meestal) ook weer burgemeester werden.

Na het verstrijken van hun zittingstermijn van twee jaar konden ‘afgaande’ raadsheren pas na een jaar weer in de raad worden gekozen. De zestien eerste- en tweedejaars raadsheren van de zittende raad werden samen wel ‘nieuwe raad’ genoemd ter onderscheiding van de acht oud-raadsheren die samen de ‘oude raad’ vormden.

Burgemeesters en raad waren oudtijds belast met de rechtspraak en het dagelijks bestuur en vergaderden vrijwel dagelijks. Als bestuurders waren zij vooral de uitvoerders van eerder vastgesteld beleid en zijn daarom enigszins te vergelijken met het moderne college van burgemeester en wethouders.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.

Verwante items