Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen Christianisering
Gecontroleerd door redactie

Christianisering

[800-1594]
Afbeelding bij dit verhaal

Het christendom werd tussen ca. 730 en 1300 geleidelijk verspreid onder de Friezen, die toen ook de huidige provincie Groningen bewoonden. Missionarissen van Angelsaksische origine propageerden als eerste hun christelijke opvattingen en gebruiken in de Friese gebieden. Deze kerstening werd gesteund door de Frankische macht. Zowel de Frankische leiders als de christelijke kerk hadden baat bij samenwerking. Eerstgenoemden gebruikten de kerk om hun eigen gezag uit te breiden, terwijl de kerk zonder steun van het wereldlijk gezag nauwelijks overredingskracht had bij de plaatselijke bevolking.

Willibrord (ca. 690-739) was de eerste zendeling die de kerstening van de Friezen op zich nam. Vanuit het bisdom Utrecht, waar hij bisschop was, en onder bescherming van Frankenleider Karel Martel (714-741), trok hij naar het noorden. Net als zijn opvolger, Bonifatius, kreeg hij te maken met hevig verzet. Bonifatius werd, zoals bekend, in 754 bij Dokkum door Friezen vermoord. In 786 werd de eerste Friese zendeling, Liudger, door Karel de Grote naar zijn eigen volk gestuurd. In 804 werd hij de eerste bisschop van Münster, het bisdom waartoe later het grootste deel van de provincie Groningen behoorde.

De eerste zendelingen in de Friese gebieden richtten zich vooral op bekering van de elite. Deze groep had min of meer belang bij kerstening. Door christen te worden, konden ze kerkelijke ambten vervullen en daaraan prestige ontlenen. Bovendien hadden zij genoeg bezit, vooral grond, om aan de kerk te schenken. Die grond konden ze vervolgens in leen beheren en exploiteren. Naarmate de tijd verstreek, werd de relatie tussen de kerk en de bovenregionale heersers steeds verder uitgewerkt. In de tiende eeuw werden kerkgemeenschappen aangesteld als leenheer van de Duitse koningen . De kerk van Utrecht, bijvoorbeeld, kreeg in 1040 een deel van de Groningse domeinen van koning Hendrik III in beheer. De bisschop kreeg hiermee rechtelijke macht over deze gebieden en kon profiteren van de opbrengsten van het munt- en tolrecht. Omdat leden van de clerus geen wettelijke kinderen konden krijgen, waren ze veel minder een bedreiging voor de vorst dan de erfadel. Ondanks het vele zendingswerk via de bouw van kerken en de stichting van bisdommen was het christendom in de eerste helft van de elfde eeuw in grote delen van de Friese gebieden nog niet doorgedrongen. Daarom werd het kersteningsoffensief vanaf deze periode geïntensiveerd.

Het aantal kerken werd uitgebreid en de christelijke propagandamachine draaide overuren. Er was speciale aandacht voor heiligenlevens die als voorbeeld voor de gewone christen dienden. Aan het eind van de twaalfde eeuw was de heilige Walfridus van Bedum(ca. 950- ca. 1000) een christelijk rolmodel in het Groningse gebied. Ter ondersteuning van deze ‘dieptekerstening’ werden in de twaalfde eeuw de eerste lokale kloosters gesticht. Van hieruit nam de invloed van geestelijken toe. De abten zorgden voor de uitbouw van een parochienetwerk en speelden een belangrijke rol bij het stimuleren van vrede en in de rechtspraak.

De Friese gebieden werden in deze periode lokaal bestuurd door familieclans die regelmatig onderling op bloedige wijze vetes uitvochten. Abten probeerden de lokale wetgeving aan te passen om zo het geweld terug te dringen. Het christelijk recht was gebaseerd op vredestichting en conflictbeheersing. De Friezen beriepen zich in conflicten juist op roof, plundering en eerwraak. Voor de Kruistochten maakten de christenen een uitzondering in hun vredespolitiek. Pausen en koningen riepen tussen ca. 1100 en ca. 1300 op tot een heilige oorlog om Palestina op de moslims te heroveren. In Europa (ook in de Friese gebieden) waren kruistochtpredikers actief die (nieuwe) bekeerlingen rekruteerden voor deze veldslagen. Leden van de Friese elite en ook armen namen in de late twaalfde en vroege dertiende eeuw deel aan de derde kruistocht en ook tijdens de vijfde kruistocht (1217-1221) was de belangstelling groot.

Behalve als conflictbemiddelaars en juridisch adviseurs speelden kloosters ook een rol in de verbetering van de bewoonbaarheid van de Groningse gebieden. Door systematische ontwatering en de aanleg van dijken beschermden de monniken bestaande landbouwgronden en wonnen ze nieuw land om te cultiveren. Hierbij handelden de kloosters vaak in hun eigen belang. Natuurlijk hielden de monniken zich ook bezig met hun bekende taken, zoals het bedrijven van wetenschap en het schrijven van boeken. Kloosters beschikten vaak over relatief veel boeken. De kerk stimuleerde onderwijs en na 1215 werden de eerste parochiescholen gesticht in de Friese gebieden. Met hun kennis en beheersing van het schrift ondersteunden monniken de lokale (stads)besturen. Dankzij bovenstaande ontwikkelingen konden de christelijke opvattingen en ideeën in de dertiende eeuw doordringen tot bredere lagen van de Friese bevolking.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.