Het was in het jaar 1955. Opa en oma woonden in Veendam waar ze een schilderszaak hadden. Dat jaar veranderde veel: de zaak werd verkocht en mijn grootouders gingen verhuizen. Dit was een enorme cultuurschok voor ze, want opa, geboren in 1890 in een klein huisje zonder waterleiding en elektriciteit, kwam nu te wonen in de grote stad.
Het oude huisje van overgrootmoeder heb ik nog bekeken: het had een voordeur van 1.60 m. hoog; binnen was er een put met een emmer aan een touw; het water voor de koffie en de thee kwam uit een regenton. In de kamer stond een kookkachel met koper en bloemmotief. Aan de muur was een bedstee en boven de tafel hing een petroleumlamp.
En nu ging opa in het verre Groningen wonen. Het nieuwe appartement lag op de bovenste verdieping van de Westerflat aan de Friesestraatweg, één van de hoogste flatgebouwen van de stad. Het leek mij, als jongen van dertien jaar, een futuristisch avontuur om in zo’n ‘wolkenkrabber’ te wonen. Boven, op de vijfde verdieping, had je een prachtig uitzicht. Het was een flat, dat moest toch wel iets bijzonders zijn, want het was een Engels woord. In de woning was niet eens een trap. Jammer dat er geen lift in het flatgebouw was.
Heel bijzonder vond ik de douche. Dat was wel een erg moderne uitvinding, die in praktisch geen enkel huis te vinden was. Op een dag vroeg ik aan oma hoe haar de douche beviel. O, ze was er werkelijk blij mee. ‘Is het lekker water en een fijne straal?’, vroeg ik.
Dat wist oma niet. ‘Maar u bent er toch blij mee?’, vroeg ik. ‘Ja kind, het is fijn voor mijn emmers en bezems!’, was het antwoord. Oma gebruikte haar douche als berging: wat een ontgoocheling. Ze ging er echt niet onder staan, want het water was veel te nat!
Toch was ze volgens haar zelf een schone vrouw, want elke middag waste ze haar armen en gezicht, alvorens ze haar middagjurk aantrok. En elke week deden opa en oma schoon ondergoed aan. Zo bleef oma toch nog trouw aan de gewoonten van de eeuw waarin ze was geboren.
