Friesch-Groningsche suikerfabriek werd mede opgebouwd door Brabantse ‘gastarbeiders’
In 1954 bestond de Friesch-Groningsche beetwortelsuikerfabriek veertig jaar. Dat werd gevierd met een feestavond in de stadsschouwburg. Het hoogtepunt daarvan was ongetwijfeld het huldigen van hen die al vanaf de eerste campagne voor de fabriek werkten. Aan hen reikte de loco-burgemeester van Groningen, de heer De Wilde, een koninklijke onderscheiding uit. Maar liefst tien personen ontvingen van hem een eremedaille. Een elfde werknemer ontving de medaille op zijn ziekbed. Zes medailles behorende bij de orde van Oranje-Nassau waren in zilver, vijf in brons. Een aantal van deze mannen had al gepensioneerd kunnen zijn. Op verzoek van de directie waren zij echter door blijven werken.
Meer dan de helft van de jubilarissen was afkomstig uit Noord-Brabant. Toen de eerste campagne van start ging draaide ‘de Friesch-Groningsche’ voor een belangrijk deel met Brabantse ‘gastarbeiders’. Directeur, J. J. van Doormaal had namelijk van zijn vorige fabriek personeel meegenomen. Een deel van hen werkte alleen in de campagne. Maar ook veel vaste banen werden bezet door de Brabanders. De groep, die zich verspreid over de stad vestigde, bestond inclusief gezinsleden uit ruim boven de honderd personen. Een aantal van hen kreeg in het najaar, wanneer het campagnetijd was, inwoning van losse arbeiders uit andere delen van het land. Vaak ging het daarbij om familieleden.
In 1913 had een groep mensen de coöperatieve vereniging, de ‘eigenaar’ van de fabriek, opgericht. Het was de bedoeling dat al in het volgende kalenderjaar suiker zou worden verwerkt. Dat was behoorlijk snel, want er was op dat moment zelfs nog geen terrein aangekocht. Vervolgens moest de fabriek nog worden ontworpen en gebouwd. De keus viel op een vestigingsplaats op een terrein niet te ver van de stad. Een plek zowel aan het spoor als aan het Hoendiep. De bieten konden zo met de trein en per schip worden aangevoerd. In de jaren dertig kwam ook het vervoer per vrachtauto op. Dit zou uiteindelijk het vervoer per spoor verdringen.
Begin 1914 was de eerstesteenlegging. Daarna werkten Groningers en Brabanders aan de opbouw. Zij deden dat samen met Duitsers en Belgen, leveranciers van de te plaatsen machines. Op dat moment was het areaal suikerbieten in de provincie al fors uitgebreid. Dat was een gok, want als de bouw niet op tijd gereed was, bleef de vereniging met de bieten zitten.
Die gok leek ook nog eens verkeerd uit te pakken toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Maar toen op 4 augustus 1914 de Duitse troepen het neutrale België binnentrokken hadden de bestelde machines net Nederland bereikt. Zonder tijd om proef te draaien begon de eerste campagne. Daarin werd ruwsuiker gemaakt. Dat is suiker die goed genoeg is voor gebruik in de industrie. Vanaf het derde productiejaar was witte suiker het eindproduct. Daarvoor was een uitbreiding nodig geweest, de eerste van vele. De door Van Doormaal ontworpen fabriek gold lange tijd als de modernste van het land en een van de grootste van Europa.
In 1937 bereikte de productie voor het eerst de mijlpaal van 5000 ton verwerkte bieten in 24 uur. Een heel verschil met 1913 toen het streven 1800 ton bedroeg. Een jaar later, op 5 november 1938 bezocht Koningin Wilhelmina zelfs de fabriek.
De ontwikkelingen in de suikerbranche gingen door. In 1970 fuseerde een aantal fabrieken tot de Suikerunie. De naam ‘Friesch-Groningsche’ verdween. De fabriek draaide echter nog bijna 40 jaar door. Toen kwam er een einde. De campagne van 2007 was de laatste voor wat ooit de grootste fabriek binnen de stad was. Veranderingen in de landbouwpolitiek van de EU leidden tot een samengaan met de fabriek in Hoogkerk.
