Wie vanaf Froombosch over de Hoofdweg in Slochteren rijdt passeert links en rechts van de weg fraaie woningen en dito boerderijen. Maar van middeleeuwse bebouwing is er voorlopig geen spoor. Totdat de kerk van Slochteren bereikt wordt. Een imposante 35 m hoge toren met een zadeldak staat naast een merkwaardig kerkgebouw, dat vreemd genoeg een noord-zuid oriëntatie heeft en niet, zoals gebruikelijk, oost-west gericht is. Het is dan ook het restant van een veel grotere kruiskerk waarvan het schip door brand verloren ging en alleen het vroegere dwarsschip hersteld kon worden.
De ligging van de kerk staat markeert een belangrijke plaats in Duurswold, de streek waarin Slochteren ligt. Hier boog namelijk de oude handelsweg van Groningen naar Duitsland af naar het oosten, in de richting van Stootshorn en Noordbroek om uiteindelijk via Winschoten en Bourtange het Emsland te bereiken. Ter hoogte van de kerk werden in de vele onrustige tijden die Groningen gekend heeft allerlei versterkingen gebouwd om het verkeer te controleren en de argeloze reiziger ervan te doordringen dat men zich diende te gedragen, of dat anders de eigenaar van steenhuis of schans korte metten met hem zou maken.
Lange tijd werd verondersteld dat de oorsprong van de Fraeylemaborg omstreeks 1500 gezocht moest worden. Formsma cs geven aan dat er rond die tijd bij de kerk een blokhuis was opgericht, maar dat door de slappe veenbodem een eind verder naar het noordoosten een groter gebouw ontstond: de huidige Fraeylemaborg. Door bouwhistorisch onderzoek weten we inmiddels zeker dat de oudste delen van de borg veel ouder zijn en uit de 13e eeuw dateren. De 'slappe veengrond' was overigens ook stevig genoeg om de eveneens 13e eeuwse kerk en toren eeuwenlang te dragen. Hoe het ook zij, de Fraeylemaborg ligt ongeveer een kilometer van de oude weg van Groningen naar Duitsland.
De borg ontleent zijn naam aan een Ver. Dat is een adellijke dame, in dit geval van de familie Ailma of Elema. Andere voorbeelden van deze aard zijn Verhildersum , Ver Hilde, en Fraam, Ver Adema. Ook het woord freule is op deze manier verklaard. De oudste vermelding van de naam Fraeylema in Slochteren dateert uit 1465. In Losdorp, Godlinze en Wittewierum kwamen ook Freaylemaheerden voor. In 1504 is er sprake van Remmert Fraylma als hoofdeling in Slochteren. In 1517 komt ook de naam van zijn zoon Oesbrant van Slochteren voor, die in 1538 als Osebrand hoofdeling van Slochteren genoemd wordt.
Hoe het gebouw er in de eerste eeuwen van zijn bestaan uitzag is onbekend. Uit jaarringonderzoek is als oudste datering het jaar 1506 naar voren gekomen. Het is goed mogelijk dat de in die tijd opgeklommen hoofdelingen Remmert en Osebrand Fraylma het huis lieten verbouwen om er meer aanzien aan te geven. Door het huwelijk van Osebrands dochter met Seino Rengers kwam het huis in handen van een van de machtigste Groninger geslachten van die tijd. Opnieuw werden er verbouwingen uitgevoerd waarbij onder andere grachten werden gegraven en een traptoren werd gebouwd. De nadruk kwam nog meer dan voorheen op representatie te liggen in plaats van verdedigbaarheid. Met name Osebrand Johan Rengers heeft het huis verder laten verfraaien. Na grote politieke problemen liet hij bij zijn dood grote schulden na.
In 1690 werd het landgoed verkocht aan Henrik Piccardt. Hoewel Piccardt voor de aankoop geld van stadhouder-koning Willem III leende, heeft hij waarschijnlijk toch voor verdere verbouwingen van het huis gezorgd. Maar het is niet waarschijnlijk dat zijn erfgenamen in de loop van de 18e eeuw nog grote aanpassingen aan het huis hebben gedaan. Grote financiële problemen waren er de oorzaak van dat het huis in 1781 werd verkocht aan Hendrik de Sandra Veltman. Deze zorgde ervoor dat de borg verbouwd werd en zijn huidige vorm kreeg. In de loop van de 19e eeuw veranderde er niet veel. Wel werden vensters veranderd en het gebouw gepleisterd.
Van steenhuis naar woonslot
Groningen telde in de 17e en 18e eeuw een groot aantal borgen. Woonpaleizen waar de provinciale landadel woonde en van waaruit ze de omgeving bestuurden. Als uitdrukking van hun macht en rijkdom lieten de jonkers hun paleizen steeds indrukwekkender verbouwen. Grachten, zijvleugels, torens, poorthuizen, schathuizen, duiventillen, het een nog fraaier en imposanter dan het ander. Van deze grote Groninger borgen zijn er nog maar twee over die de grandeur uit de glorietijd van de Groninger landadel belichamen. De Menkemaborg in Uithuizen en de Fraeylemaborg in Slochteren. De meeste grote Groninger borgen zijn in de 19e eeuw, toen de adel zijn macht verloren had, afgebroken. Te groot en te duur om te bewonen. Slechts enkele gebouwen ontsprongen de dans. Verhildersum in Leens bleef behouden, maar wel een stuk kleiner dan voorheen. Nienoord in Leek ging door brand verloren en werd in de jaren 1885-1886 herbouwd in een stijl die toen in de mode was. Van de oorspronkelijke borg zien we vrijwel niets meer.
Hoe de verdwenen borgen eruit zagen, kunnen we zien op vele prenten en schilderijen. Maar het meest bekend zijn wel de tekeningen die de beroemde Coenderskaart uit de periode 1675-1680, en de Beckeringhkaart uit 1781. Op beide kaarten zien we in de passe-partouts tekeningen van de belangrijkste Groninger borgen. Deze schetsen geven een redelijk betrouwbaar beeld van hoe de huizen er in de verschillende perioden hebben uitgezien. Zo bezien vormt de Fraeylemaborg misschien wel uiterlijk het best bewaarde voorbeeld van een Groninger borg uit de tijd van de Republiek.
Omdat de Fraeylemaborg gepleisterd is en er tijdens de laatste grote restauratie in de jaren 1970 geen bouwhistorisch onderzoek is gedaan, is het beschrijven van de bouwhistorie een lastige opgave.
Bouwgeschiedenis in detail
Fase 1 vóór 1300
Het oudste deel van de borg vinden we bij de keuken. Het steenhuis, waaruit de latere borg ontstond, had waarschijnlijk twee bouwlagen en een kap. De vloer van de onderste bouwlaag van het steenhuis lag lager dan de huidige keukenvloer. Dat is te zien aan de lage plaats van de lichtopeningen, die vaak ten onrechte voor schietgaten worden aangezien. De afmetingen van bakstenen met een afmeting van 32 x 15 x 9 cm wijzen op een datering van vóór 1300.
Fase 2 1300-1500
Fraeylema is pas omstreeks 1500 in het bezit van hoofdelingen is gekomen. Verbouwingen voor 1500 lijken aan te geven dat het gebouw een boerderijachtige functie had. De smalle aanbouw aan de linkerkant die we op de Coenderskaart aantreffen is misschien een trappenhuis geweest dat in deze fase tegen het steenhuis is aangebouwd. Tegen het steenhuis is in zuidwestelijke richting een langwerpig gedeelte aangebouwd, dat tot aan de tegenwoordige Groene Kamer reikte. Misschien is hier het woongedeelte geweest en behield het steenhuis zijn oorspronkelijke functie als opslagruimte. In de Groene Kamer is nog altijd een venster in de noordwestelijke muur te zien. Uit de steenformaten hier en in de fundering onder deze kamer kan met een slag om de arm een datering van voor 1500 gemaakt worden. Maar mogelijk is hier ook materiaal hergebruikt waardoor de datering onjuist is.
Fase 3 1500-1550
Dendrochronologisch onderzoek van de eikenhouten sporen van de huidige kap laat zien dat er kort na 1506 en rond 1535 gebouwd is. De onderlinge afstand tussen de sporen, 80 à 90 cm wijst op een lichte constructie zoals we die bij boerderijen aantreffen.
De toren
Een belangrijk middel om een huis meer aanzien te geven was het bouwen van een traptoren. Op de Coenderskaart zien we een vrij lage toren. Dat wijst erop dat het zuidwestelijke gedeelte van de borg ook lager was dan tegenwoordig. Ook de gevonden steenformaten in dit gedeelte ondersteunen deze veronderstelling. Over de plaats van de toren heeft een lange discussie gewoed. Doorgaans stond een toren symmetrisch in het midden van een gevel. Of in de hoek tussen twee vleugels. Bij de Fraeylemaborg staat hij niet in een hoek en lijkt links van het midden te staan. De bouwhistorici Battjes en Ladrak vonden echter dat de toren precies in het midden staat van het bouwdeel dat tegen de zuidwestelijke muur van het oorspronkelijke steenhuis heeft gestaan. Links van de toren zien we een aanbouw. Rechts van de toren heeft net zo een aanbouw gestaan, die later is vervangen door de zijvleugel die we op de Coenderskaart zien.
Fase 4 1550-1670
De zuidwestvleugel
Op de Coenderskaart zien we rechts van de toren een zijvleugel die lager is dan het hoofdgebouw. Deze vleugel was ook korter dan de huidige bouw en reikte niet verder dan de Rode Kamer. De gevel is uitgevoerd in maniëristische stijl die in de tweede helft van de 16e eeuw werd gebruikt. Maar misschien is de gevel later in deze stijl veranderd. De zijvleugel heeft dus gedeeltelijk de hiervoor genoemde aanbouw rechts naast de toren vervangen. De symmetrie van het gebouw ging hiermee verloren.
De zaal
In 1572 is de zaal voorzien van zes nieuwe vensters. Het is waarschijnlijk dat de tegenwoordige Groene Kamer de plaats van de oude zaal was. Het lijkt erop dat dit gedeelte van het huis de representatieve ruimten herbergde en dat de zijde van het oude steenhuis meer voor huishoudelijke functies werd gebruikt. Wel moet de zaal vroeger groter geweest zijn. De huidige noordoostelijke muur van de Groene Kamer is namelijk een stuk jonger dan de rest.
Ophoging
In deze fase van de bouwgeschiedenis moet het gebouw ook verhoogd zijn. De toren zoals op de Coenderskaart afgebeeld is duidelijk te laag ten opzichte van het dak van het hoofdgebouw. Op deze kaart is ook een horizontale bouwnaad getekend, wat erop zou kunnen wijzen dat de aanbouw verhoogd is.
Fase 5 1670-1780
In deze periode onderging de borg ingrijpende veranderingen.
Het hoofdgebouw is, zoals te zien is op de afbeeldingen op de Coenderskaart en de Beckeringhkaart van een eeuw later aanzienlijk veranderd. Wanneer deze veranderingen precies hebben plaatsgevonden en wie de opdrachtgever was, is niet helemaal zeker. De Coenderskaart dateert van 1677. Eigenaar was toen de zeer rijke Osebrand Johan Rengers, die evenwel juist in die periode gevangen zat. Vermoedelijk is de verbouwing dus eerder uitgevoerd. Henrik Piccardt verwierf de borg in 1690, maar moest daarvoor wel geld lenen. Anderzijds liet Piccardt wel de kerk van Harkstede bouwen.
Het hoofdgebouw
Bezien we de cartouche op de Beckeringhkaart dan zien we dat het hoofdgebouw een gesloten voorgevel had gekregen. De hoofdingang is verplaatst en gebruik van pilasters met kroonlijst en de vijf identieke boogvensters brachten meer symmetrie. Oudere elementen zijn nog zichtbaar zoals de aanbouw links van de toren. De toren zelf is verhoogd met een achtkant waarop een barokke helm is geplaatst.
De plaats van de toren is bijzonder omdat de ingang nu gedeeltelijk onder de toren is gemaakt. Om het gewicht van de toren te kunnen dragen moest een hulpconstructie aangebracht worden. Op foto's van de zogenaamde Profetenkamer tijdens de restauratie in de jaren 1970 is een ontlastingsboog zichtbaar. Op de zolder is onder de noordoostzijde van de toren ook een boog zichtbaar. Al met al moet het een waagstuk zijn geweest de toren op deze wijze te ondersteunen.
De noordoostzijde van de toren loop exact over het midden van de hoofdingang. Deze lijn vormt de hartlijn van de verdere indeling van het gebouw. De afstand van deze hartlijn tot het oude steenhuis - nu de afscheiding tussen Grote Zaal en Kleine Zaal - is namelijk precies gelijk aan de afstand tot de muur van de Groene Kamer, die daarvoor verplaatst is. De zo ontstane Grote Zaal meet 6 x 12 meter, ofwel een verhouding 1 : 2. Waarschijnlijk is ook de uitbouw van de Grote Zaal ook in deze tijd ontstaan.
De noordoostvleugel
Dit deel van de borg is een aantal keren verbouwd. Het oudste deel is de aanbouw die op de Coenderskaart tegen het oude steenhuis aanstaat. Deze aanbouw is vergroot tot de tegenwoordige noordoostmuur en in een latere fase verhoogd. De vleugel is ook verlengd. Dat gebeurde in twee fasen, waarvan de eerste voor 1730 moet hebben plaatsgevonden. Toen de vleugel werd verlengd werd de oude buitenmuur nu de binnenmuur van de Gele Kamer.
De zuidwestvleugel
Deze vleugel is mogelijk in 1721 verbouwd. Op de Beckeringhkaart is de gevel voorzien van band- en rolwerk. Iets dergelijks was ook al; op de Coenderskaart te zien, maar de vleugel heeft er inmiddels een bouwlaag bij gekregen.
Fase 6 1781-2004
Na 1781 werd de Fraeylemaborg opnieuw veranderd. De dakrand van het hoofdgebouw werd nu naar de voorgevel getrokken zodat de afzonderlijke daken van de aanbouwsels verdwenen. Hoofdgebouw en zijvleugels werden onder een rondgaand schilddak gebracht. De voorgevel werd in schoon metselwerk opgetrokken. Dat sluit aan bij het vermoeden dat de borg tot dan niet gepleisterd is geweest. Misschien dat het metselwerk, dat door alle verbouwingen alles behalve homogeen was geworden, van een gekleurde vertinning was voorzien.
In de loop van de 19e eeuw is het gebouw, met uitzondering van de voorgevel, gepleisterd. De ramen in de voorgevel zijn ook anders dan op de Beckeringhkaart en op de prent van Ensing. Qua stijl zijn ze 19e eeuws. Sinds deze laatste ingrepen is het gebouw niet verder ingrijpend veranderd.
Vrijmetselarij en de Fraeylemaborg
Het bouwkundig onderzoek van de bouwhistorici Jan Battjes en Hans Ladrak in 2004 leverde enkele spectaculaire bevindingen op. Bij de verbouwingen in de periode 1670-1780 werd scherp rekening gehouden met de bouwkundige principes van het classicisme. Zo komt de afstand tussen de noordwestmuur van de Grote Zaal ten opzichte van de zuidoostmuur van de uitbouw èn de breedte van de uitbouw precies met de Gulden Snede overeen. De Gulden Snede wordt voorgesteld door de wiskundige formule: a : b = b : (a+b). Verder is vastgesteld dat de verhoudingen in de Grote Zaal exact corresponderen met de maten van de hoekpunten van een pentagram of vijfhoek. Ook in deze figuur speelt de Gulden Snede een rol in de verhouding waarin de diagonalen oftewel de zijden van het pentagram elkaar op de snijpunten verdelen.
De punten van het pentagram komen ook precies uit op de plaats waar de pilasters in de Grote Zaal zijn aangebracht. De hoogte van de Grote Zaal is ook precies gelijk aan de hoogte van de driehoek waarvan de top het middelpunt van hetzelfde pentagram is. Een ander pentagram is te vinden in de ruimte van de vestibule en het voorplein tot aan de einden van beide zijvleugels. Zien we hier toepassingen van gedachten uit de vrijmetselarij?
Het is duidelijk dat dit hele ontwerp niet het werk van een eenvoudige dorpstimmerman is. Mogelijk zien we hier toch de hand van Henrik Piccardt. Zijn in Harkstede gebouwde kerk is ook gebouwd op basis van de symboliek van de vrijmetselarij.
Met deze ontdekking wordt de Fraeylemaborg bouwkundig gezien nog interessanter dan hij al was. Met deze wetenschap kan de oplettende toeschouwer in de ogenschijnlijke asymmetrie toch een strakke ordening ontdekken.
