“Ga je mee naar Pera ?”, vroeg Eppie’ s vader. “We moeten de melk nog halen.” “O ja, wel graag”, antwoordde Eppie. “We gaan over de Pierswijk ”, stelde zijn vader voor. “Het ijs is al sterk genoeg. Als jij nu op de heenreis de flessen draagt, dan neem ik ze de terugreis wel mee”. Hij deed z’n pet ver over de oren. “ ‘t Is knap winter en zo uit de warme kamer de vrieslucht in”, merkte zijn vader op.
“Doen jullie de klompen maar aan”, stelde zijn moeder voor. “Dat is warmer dan de schoenen.” Eppie vond het niet zo leuk om de klompen aan te doen; de zolen waren niet zo geschikt om er mee op het ijs te glijden. Je stond zo hoog, dat je er steeds op moest letten om niet door de enkels te zwikken. Maar ja, de klompen moesten zo lang mogelijk mee kunnen. “Ben je al klaar jong?”, vroeg zijn vader wat gehaast. “We hebben niet voor niks zo vroeg gegeten. We moeten voor achten weer thuis zijn. Je weet toch wel dat niemand dan meer buiten mag komen.”
Even later liepen ze tussen de fabrieksgebouwen naar de Pierswijk. Hol klonk het klossend geluid van de klompen tussen de hoge muren. ’t Was koud. Dat voelden ze pas goed toen ze bij het Opslag kwamen. Ze gingen de duisternis van de dichte bomenrij langs de Pierswijk tegemoet. Eppie had moeite met het lopen op de hoge klompen. Vooral op de linkerhelft van de Pierswijk, waar de melkboot zo lang mogelijk had gevaren, lagen bevroren brokken ijs. Rechts was het beter om te lopen, daar kon je ook nog schaatsen. Bij de Draai (een brug) gingen ze van het ijs af, anders moesten ze daar gebukt onderdoor kruipen.
Op de dijk zagen ze iemand op een fiets aankomen. Het was bijna niet te zien met zo’n verduisteringslantaarn. Het was geen landwachter, want dat zag je bij halfdonker al aan de pet en aan het stukje jachtgeweer dat boven de schouder uitstak. “Navond”, klonk een omfloerste stem tussen een dikke sjaal vandaan. Ze beantwoordden de groet met hetzelfde: “Navond”. Zeker iemand die nog naar de dokter moest.
Eppie kreeg een veiliger gevoel tussen de boerderijen die ze genaderd waren. De bewoonde wereld. Hier en daar zag je een lichtje branden. Alles was zo goed mogelijk verduisterd. Gek toch, dat de Duitsers bang waren dat vliegtuigen daar op zouden schieten. Nou ja, zomaar het licht aandoen kon ook niet, niemand had stroom.
Ze liepen het paadje op naar de boerderij van Pera. Aan het flauwe schijnsel van een kaars zag je dat er mensen thuis waren. Eppie bleef staan en keek naar binnen. Opeens zag hij dat iemand ging staan en in de hoek van het kamertje verdween. O ja, daar hebben de Pera’s een bedstee. “Volluk!”, riep zijn vader bij de achterdeur. Al gauw kwam iemand door de gang naar de deur. Het was vrouw Pera. “Kom er maar gauw. Zet de klompen maar even binnen. Zal ik direct de melk in de flessen doen? Kom hier maar even op de stal”, zei ze moederlijk tegen Eppie. Toen de flessen gevuld waren, deed Eppie ze voorzichtig in de tas.
Hij keek even in de stal, waar vrouw Pera nog met het melkgerei bezig was. Hé, wat is dat daar?! Opeens zag hij gele klompen staan. “Gele klompen bij Pera op de stal?”, mompelde Eppie. Nou wist hij niet meer wat hij er van denken moest. Toen hij een keer melk ging halen, en bijna omver gereden werd door een man met gele klompen aan, wist Pera niet wie die man was. Zou dat dan toch een bekende zijn? Misschien wel die onderduiker, die een nacht bij hen geslapen had, die had ook gele klompen aan.
“Ga maar in het kamertje, jong”, zei vrouw Pera. Daar zag Eppie z’n vader en Pera zitten. “Dag Eppie”, begroette Pera hem met een vriendelijke lach. “Dag Pera”, zei Eppie wat sneu, want hij wist dat ze iets voor hem verborgen hielden. “Hebt u nieuwe klompen?”, vroeg hij. “Wat klompen?”, zei Pera verwonderd en lachte wat zenuwachtig. Eppie’s vader veerde van zijn stoel omhoog. “Eppie daar heb je niets mee te maken! Dat zijn geen dingen voor jullie jongens om te weten’, berispte hij hem. Eppie boog z’n hoofd en zweeg, maar hij wist ineens dat het geen zuivere koffie was. Ze wisten wel wat van die klompen af. “Nou jong, kop op, je krijgt nog een beker lekkere warme melk”, zei vrouw Pera.
“We moeten nu weg, als we voor acht uur thuis willen zijn”, stelde zijn vader voor toen Eppie de melk opgedronken had. Hij betaalde en pakte de tas met flessen. “Nou mensen, het beste maar weer,” groette hij. Op de terugweg werd er bijna niets gezegd. Alleen zei zijn vader tegen Eppie, dat hij niet zo nieuwsgierig moest zijn.
Verkleumd kwamen ze thuis. Eppie vloog de kamer binnen. “O wat is het koud!”, zei hij. Hij pakte een stoel en ging bijna boven op de kachel zitten. “Kun je geen goedenavond zeggen?”, vroeg zijn moeder. “O ja”, zei Eppie. “Ik ben toch zo koud!” “ Dat zal best”, antwoordde ze. “Maar kijk es wie hier is.” Eppie zag bijna niets in de halfdonkere kamer, die alleen maar verlicht werd door een kaars. Achter de tafel zat een jongen van zijn leeftijd, die er erg bleekjes uitzag. “Dit is Bram”, zei zijn moeder. “Bram de Kok. Bram komt uit Hillegersberg bij Rotterdam”. Een broer van Bram is bij Klaver. Ze hebben in Holland geen eten genoeg en daarom zijn er hier veel jongens gekomen.” Eppie knikte. “Hoe lang blijven ze dan?”, vroeg hij. “Nou ja, zo lang de oorlog duurt en hoe lang dat nog zal duren weten we niet”, antwoordde Eppie ’s moeder.Ze moest een antwoord geven, maar er was eigenlijk geen antwoord. Ze dacht over alles na: eerst oude mensen uit de stad in huis en dan verzorgen, daarna de onderduikers, die na een paar weken weer weg moesten omdat ze het niet langer vertrouwden in de buurt.
“Moe”, riep Eppie opeens, toen vader er even uit was. “Ja jong”, zei ze. “Moe, bij Pera hebben ze ook vast een onderduiker”. “Och dat zal wel niet”, zei ze op een ongelovige toon, maar ze wist wel beter. “Ja moe, op de stal stonden en paar gele klompen en toen ik Pera vroeg of hij nieuwe klompen had gekocht, zei hij geen ja en geen nee!”. “Ga nu maar naar bed, Eppie. Bram zal ook wel moe zijn, nietwaar Bram?” Bram knikte en ging staan. Zijn koffer stond nog in de verfwinkel van Eppie’s ouders. Met z’n beiden gingen ze naar boven, naar het voorste kamertje. Bram keek vreemd op. “Wat is dat voor bed daar?”, vroeg hij met een Rotterdams accent. Eppie lachte, “Dat is een kooi.” Daar had Bram nog nooit van gehoord. “Het lijkt me wel een knus hokje, daar onder het schuine dak”, merkte hij op. Eppie vond dat Bram een mooi taaltje had. Dat zal wel echt Rotterdams zijn, dacht hij en lachte zomaar hardop. “Waar lach jij wel om?”, vroeg Bram, jij slaat er helemaal een onverstaanbaar taaltje uit!”