Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen De Groninger defensie
Gecontroleerd door redactie

De Groninger defensie

[800-1594]
Afbeelding bij dit verhaal

In principe waren alle burgers onderworpen aan de ‘weerplicht’. Dat wil zeggen dat alle stedelingen verplicht waren hun stad met lijf en goed te verdedigen. Ze moesten wacht lopen bij de poorten, op de muren, wallen en torens en als het oorlog was trok ‘de hele stad’ of ‘de halve stad’ op operatie uit. Eén of meer raadsheren voerden dan het bevel. Daarnaast was er een schuttengilde, dat bestond uit ingezetenen die zich bijzonder op het militaire bedrijf toelegden.

De eerste uitgebreidere regelingen die we kennen, zijn van betrekkelijk late datum. In 1577-de soldaten die de stad bijna tien jaar lang hadden bezet waren zojuist vertrokken-zwoeren de stedelingen dat ze nooit meer een vreemd garnizoen zouden binnenlaten. Voortaan zouden de Groningers hun stad zelf verdedigen en geen vreemdelingen toelaten die hen daarbij zouden willen helpen. Vastgelegd werd dat uit elk van de vier stadswijken (kluften) één vendel de wacht zou betrekken; kort daarna werd het aantal burgervendels uitgebreid tot acht. Op 12 november van hetzelfde jaar 1577 besloot men dat ook de schuitenschuivers of binnenschippers en ‘buitenpoorters’ (de burgers die in de buurtjes buiten de stadspoorten woonden) mee moesten doen. Voor alle burgersoldaten gold dezelfde verplichting: ‘Ge moet burgemeesters en raad als uw overste hopmannen (kapiteins) trouw zijn en de stad en haar vrijheden ten behoeve van de koning beschermen.’

Van oudsher was de dienstplicht verbonden met de huizen in de stad. ‘De weerplicht lag op de huizen’, zoals men toen zei. Dit betekent dat van elk huis de bewoner-of, in geval van leegstand, de eigenaar-verplicht was persoonlijk (‘met het lichaem’) wachtdienst te doen. Later verviel die ‘lijfelijke’ plicht. De dienstplichtige kon de wacht afkopen door het betalen van een bedrag waarvan de hoogte afhing van de categorie waarin zijn huis was ingedeeld: een volle wacht, een halve of kwart wacht. Met het geld dat op deze manier binnenkwam, werden de huurlingen betaald die de wachtdienst voor de betreffende huizen verrichtte. Geen enkel huis was van deze plicht vrijgesteld, ook niet die van de leden van het stadsbestuur (de ‘stadtsofficieren’). In Groningen gold het als een bijzonder voorrecht wanneer men van de persoonlijke wachtplicht was vrijgesteld. Mannen die oud genoeg waren om wapens te dragen, kregen geen toestemming om de wacht door anderen te laten waarnemen. Vrijgesteld waren alleen degenen die te oud waren of wier waardigheid (‘digniteijt’) niet te verenigen was met de actieve dienst.

Er bestaat een nauwe samenhang tussen de invloed van de gilden op het beleid van het stadsbestuur en de weerbaarheid van de stedelijke bevolking. Dat ligt voor de hand: de gewapende burgerij was een macht die zich niet alleen tegen externe vijanden kon keren, maar waarmee ook het stadsbestuur zelf te maken kon krijgen als het zich al te weinig aantrok van de wensen van het volk.

Deze weerbaarheid had haar uitwerking op het zelfbewustzijn en de politieke opstelling van de Groningers. Een laat voorbeeld ervan vinden we in een opmerking van de gereformeerde stadssecretaris Johan Julsing. Deze wees op 2 juli 1591 zijn stadgenoten erop dat zij hun lot in eigen hand hadden. Tegen de burgers die wachtdienst deden op de wal bij de Steentilpoort, zei hij: ‘Jullie dragen zelf schild en wapen, jùllie doen zelf actieve wachtdienst en niet de heren van de raad; jullie zijn dus verantwoordelijk voor de verdediging van de stad en ieder van jullie is persoonlijk evenveel waard als een burgemeester of raadsheer.’ In de situatie van dat moment hadden deze woorden gemakkelijk opgevat kunnen worden als een aanzet tot oproer, maar het stadsbestuur nam geen maatregelen tegen zijn zelfbewuste ambtenaar. De heren op het raadhuis wisten dat de gewapende burgerij een politieke macht vertegenwoordigde waarvoor ook zij, als het erop aan kwam, zouden moeten buigen. Daarom kon de Ommelander kroniekschrijver Abel Eppens zeggen dat het burgerleger ‘de stad vast in handen had’.

Het uit handen geven van de stadsverdediging was niet alleen voor de Groningers, maar voor alle vrijheidslievende stedelingen de eerste stap op een hellend vlak dat onvermijdelijk naar de ondergang voerde. Dat ze gelijk hadden met hun verzet tegen een garnizoen van vreemde soldaten zagen ze bevestigd door de gebeurtenissen in Zutphen en Deventer. Daar waren wel vreemde troepen toegelaten met het gevolg dat de bevolking jarenlang onder plundering en verwoesting zuchtte. Toen deze steden in 1591 in Staatse handen vielen, resteerden daarvan niet veel meer dan grotendeels ontvolkte puinhopen.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.

Verwante items