Kan een demon er zo angstaanjagend uitzien dat zelfs andere demonen er bang voor worden? Dat als bijvoorbeeld een demon een soortgenoot van ‘m op een gebouw ziet, hij zelf dat gebouw niet binnen durft te gaan? In de middeleeuwen dacht men van wel. Men ging er van uit dat duivels en boze geesten in bepaalde opzichten net mensen waren en net zo bang waren voor duivels en boze geesten als zijzelf. Men gebruikte daarom verbeeldingen van hen, om hen te weren en te verdrijven. In de kerkenbouw uitte zich dat in een letterlijk monsterachtige vormgeving van de uiteinden van de dakgoten.
Omdat het buizensysteem nog onbekend was, moest het regenwater op afstand van muur- en metselwerk van de kerk afstromen, om aantasting ervan te voorkomen. Dus liet men dakgoten enigszins buiten de kerk uitsteken, waar het water dan vrij kon weglopen. Reeds in het oude Egypte en het klassieke Griekenland figureerde men de uiteinden van goten aan gebouwen als koppen van dieren, vooral leeuwen waren hiervoor geliefd. In de christelijke middeleeuwen transformeerden deze in de zogenaamde waterspuwers: een schier oneindige verscheidenheid aan duivels, monsters, bezeten mensen en wat de beeldhouwers - die zich hierin volledig mochten uitleven - maar aan wanstaltigheden konden verzinnen. Door hun afschrikwekkende uitstraling hielden ze – in de ogen van de middeleeuwers - de kerken vrij van boze machten en kwade invloeden.
Gargoyles
In hun oorspronkelijke Frans/Engelse benaming heten ze ‘gargoyles’, naar het geluid dat ze maken als ze het water uitspuwen (denk aan gorgelen). De gedrochten werden zo populair dat het later ook wel zelfstandige ornamenten werden, los van hun functie als waterspuwer. De Notre Dame te Parijs is er beroemd mee geworden. De kathedraal van St. Jan in Den Bosch wordt er rijk door bevolkt. En – hoewel door veel mensen ongezien – ook op de hoeken van de transen van de Groninger Martinitoren, doen versteende fabeldieren tot op de huidige dag hun bezwerende werk.
Voor het overige zijn gargoyles aan Groninger kerken zeer zeldzaam. Een ervan vinden aan de kerk van Garmerwolde. Geïnspireerd door de kerk van Noordwolde - waaraan zich nog een origineel, door de tand des tijds zwaar aangetast exemplaar bevindt - werd ‘ie in de jaren ’40 van de 20e eeuw vervaardigd van zandsteen en tijdens een toenmalige restauratie aan de kerk bevestigd. Aan de buitenzijde van de noordwand van het koor, fungeert hij als afvoer van de zogenaamde piscina, het bekken binnenin het koor waarin de priester ritueel zijn handen waste en het bij de mis gebruikte vaatwerk werd afgewassen.
Poeslief of hels gebroed?
Vergeleken met het helse gebroed dat in de middeleeuwen op veel kerken woekerde, doet de waterspuwer van Garmerwolde braafjes, ja misschien zelfs wel een beetje grappig aan. Hoewel archaïsch en niet heel gearticuleerd vorm gegeven, is er duidelijk een kop in te zien. Maar waarvan? De kop werkt enigszins bevreemdend maar jaagt geen schrik of angst aan, een duivel of boze geest kan het dus niet zijn. Een dierenkop ligt voor de hand - en dan lijkt ‘ie nog het meest op een kat. De kat, tegenwoordig een van ’s mensen beste viervoetige vrienden. Moet die boze machten op een afstand houden? Het zou heel goed kunnen, want in de middeleeuwse gedachtegang was een kat een kwaadaardig dier. Hij werd beschouwd als personificatie van Satan en trouw metgezel van heksen. De kat stond in die tijd net als z’n bazin de heks, bloot aan vervolging en verbranding. De associatie van de grillige kat met (vrouwelijke) kwaadaardigheid leeft ook nu nog voort in uitdrukkingen als “kattig gedrag”, “zij is een kat” of “wat is zij een kattenkop!”. De kat bracht ongeluk. Wie kan daar, de middeleeuwse denktrant volgend, dan beter tegen beschermen dan de kat zelf? De leeuw uit de Klassieke Oudheid veranderde in Garmerwolde in de gedaante van een klein familielid van ‘m: een kat. Een echte gargoyle, hoewel ze er poeslief uitziet.
