“De kachel moest branden”, dat zijn de woorden waarmee Jopie een groot deel van zijn kwajongensstreken tijdens de bezetting verklaart. Joop Tak, werd geboren in 1932 en woont al zijn hele leven in Groningen. Hij kwam uit een groot gezin in Helpman.
Vader Tak had een goede baan als kelner in hotel de Pool in het centrum, maar op een kwade dag krijgt hij ruzie met zijn werkgever, omdat deze hem ervan de schuld geeft dat de kachel is uitgegaan. Vader ontkent en neemt ontslag. Een moeilijke tijd breekt aan, want vader moet nu als losse kelner wat ‘beunen’ om aan geld te komen, vast werk is er niet. Op zeker moment wordt hij daarbij verraden door zijn oude werkgever, een NSB’er, die hem aangeeft op het kantoor voor de Arbeidsinzet. Als gevolg hiervan moet vader naar Duitsland en komt terecht in een hotel in Oldenburg, waar hij het overigens relatief goed heeft.
Het gezin blijft echter verstoken van inkomen achter en Jopie en zijn jongere broer Max trekken er nu regelmatig op uit om dingen voor thuis op te scharrelen. Het ontbreken van vaderlijk gezag draagt eraan bij dat Jopie en zijn broer dit in redelijke vrijheid kunnen doen. Moeder vindt het maar niks en zit vreselijk in de rats, maar ze ziet ook in dat die paar extra kolen toch wel zeer welkom zijn. Stel je voor, pa had er zijn werk voor verloren: die kachel moet branden!
Jopie en zijn broer weten in een oude wasserij in Helpman die voor de Duitsers waste, kolen te liggen. Na spertijd, als niemand meer de straat op mag, verlaten ze stiekem het huis en laden hun karretje vol grote brokken kool. Thuisgekomen hakken ze deze op het balkon met een hamer in kleine stukjes. Hoewel het heimelijk gebeurt en strafbaar is, voelt het niet als stelen. Het zijn immers kolen van de Duitsers en van de Duitsers stelen is geen stelen.
Dat de Duitsers daar anders over denken, wordt hem pijnlijk duidelijk als hij met een groepje vriendjes in de buurt van het Be Quick stadion in de tuin van een grote, door Duitsers bezette villa peren ziet hangen. Deze zijn zo groot en zien er zo lekker uit, dat Jopie en zijn vriendjes de verleiding niet kunnen weerstaan en er een aantal plukken. Daarop komt een Duitse officier naar buiten met de karabijn in de aanslag. De jongens stuiven weg maar één vriendje wordt gesnapt. Doodbenauwd zijn ze, totdat de Duitser hem met een flinke schop onder zijn achterste laat gaan.
Dezelfde angst beleeft hij ook een keer terwijl er niet eens opzet in het spel is: Jopie en zijn kornuiten zijn vliegers aan het oplaten op de weilanden achter de Rabenhauptkazerne, kinderspel. Het gaat mooi totdat één van de vliegers zomaar uit de licht geschoten wordt! Later hoort hij dat dit gebeurde omdat het signalen zouden kunnen zijn, voor het verzet of voor de geallieerden. Vliegers oplaten mag niet meer.
Van de Duitsers wordt niet alleen gestolen, je kunt ook handel met ze drijven. Broer Max en zijn vriendje Berend huren af en toe een handkar waarmee ze zich bij het station aanbieden als bagagedragers. Voor een paar centen brengen ze de plunjezak of koffer van de Duitser waarheen hij maar wil. Op een keer wil een klant niet betalen, maar die wordt door een meerdere wel degelijk terecht gewezen!
En zo scharrelen Jopie en Max zich een weg door de oorlog. Tijdens het van school uit verplichte aardappel rooien in Harkstede nemen ze wel eens een extra maaltje meer naar huis, kolen worden tussen de tramrails weggegapt en ook ‘valt’ er nog wel eens een kooltje van de kar. Vlees of boter is hier en daar ook nog wel te krijgen op de zwarte markt, dus gebrek is er eigenlijk nooit en ja: de kachel brandt.
Wanneer de Canadezen eindelijk Groningen bereiken, breken weer spannende tijden aan. Jopie gaat kijken bij een verlaten barakkenkamp van de Duitsers wat daar te halen valt. Weinig, en het is er zeer gevaarlijk: een Canadese tank vuurt op alles wat beweegt waarbij een aantal doden valt. Twee vrouwen uit Jopies straat laten daarbij het leven, een drama. Overal kermende mensen, met bloed en glas op het lichaam. Het besef dat hij z’n “eigen hachie” moet zien te redden maakt dat hij naar huis vliegt. Op de terugweg kan hij nog ternauwernood door een afzetting. De watertoren op de Hereweg wordt geraakt door een voltreffer, tien tellen nadat Jopie deze is gepasseerd. Dit is menens! Hij blijft toch maar binnen nu.
Ook als de bevrijding een feit is, blijft het kriebelen. In die eerste chaotische dagen gaat Jopie veelvuldig de stad in om lood te verzamelen uit de puinhopen. Voor een kilo lood krijg je een leuk bedrag immers! Tot ook dit wordt verboden. Langzaam keert het gewone leven terug en daarmee ook de vooroorlogse normen en waarden. Jopie wordt al een hele Joop en kijkt hoofdschuddend terug op de risico’s die hij nam, maar zijn bewondering voor de Canadezen blijft, tot op de dag van vandaag.