Als kind bleef ik vaak logeren bij mijn opa en oma. Dat was altijd een hele ervaring! Het bed waarin ik sliep, was hoog en hard doordat de vulling van het matras van zeegras was. Naast het bed stond een even hoog nachtkastje. Daarin stonden een po en een fles. We gingen ‘s nachts niet naar het toilet. De huizen waren destijds niet goed geïsoleerd waardoor het erg koud was en de wc van opa en oma bevond zich helemaal aan de andere kant van het huis. Thuis was het toilet naast de slaapkamer dus daar konden we wel ’s nachts naartoe.
Het raam van de slaapkamer van opa en oma had zwarte rolgordijnen. Daarvoor werden de gordijnen dichtgeschoven. Het was daardoor pikdonker in het grote negentiende eeuwse huis. Ik meende vaak gekraak en enge geluiden te horen. ’s Morgens kwam oma in de slaapkamer om mij te wekken. Deze ceremonie was heel anders dan thuis. Bij mijn ouders stond ik zelf op. Ik moest ook dagelijks de schoenen van het gezin poetsen. Bij opa en oma hoefde dit niet. Voor de deur van de slaapkamer had het dienstmeisje mijn schoenen klaargezet: elke dag keurig gepoetst, zoals het hoorde.
In de keuken stond de ontbijttafel met Biedermeier stoelen. Voor het raam stond een Biedermeier fauteuil. Vroeger vond ik dit maar oude stoelen: nu zouden ze een vermogen waard zijn! Ook apart in de keuken was de pomp. Verder was er een kraan met koud stromend water. Dit was heel modern. Warm water had bijna niemand. Ook was er een enorm groot kolenfornuis uit de negentiende eeuw met ringen die je kon verwijderen. Niet alle pannen waren immers even groot. Thuis hadden we alleen een tweepits gasstel.
In het huis van mijn grootouders kon je vanuit de keuken naar de kelder. Daarin stonden Keulse potten met zuurkool, snijbonen etc. waar de hele winter van werd gegeten. Alles kwam uit eigen tuin. Ik herinner me dat oma nog weckflessen had met vruchten uit de Tweede Wereldoorlog! Deze werden niet weggegooid. Men gooide bijna nooit iets weg en probeerde dingen zoveel mogelijk te repareren of te hergebruiken. Je moest spaarzaam zijn voor later. De verzorgingsstaat was er nog niet: burgers moesten voor zichzelf zorgen!
Toen we op een morgen aan het ontbijt zaten, zei oma: ‘Straks gaan we naar kleermaker Wilmink. Dan laten we een mooie overjas voor jou maken’. Dit was werkelijk een grote verrassing! Vlak na de Tweede Wereldoorlog ging je niet zomaar naar een winkel om een jas te kopen. Er was daarvoor geen geld, en jassen waren ook niet te koop. Gelukkig was het vroeger gebruikelijk dat kleren werden geërfd. Een zoon kon zijn hele verdere leven vaders zondagse kostuum voor in de week afdragen. Mijn overgrootmoeder droeg haar zwarte trouwjurk meer dan veertig jaar (overigens alleen ‘s zondags naar de kerk en bij officiële gelegenheden). Op de grote zolder in Stadskanaal hingen kasten vol kleren van het voorgeslacht.
Oma had een mooie donkerblauwe winterjas voor mij uitgekozen. Bij kleermaker Wilmink werd de stof gekeerd en aan het einde van de week had ik mijn nieuwe winterjas met koperen knopen. Nu moesten we nog naar de manufacturenwinkel Leutscher. Er hoorde bij de jas vanzelfsprekend wel een alpinomuts, want niemand liep zonder hoofddeksel op straat. Daaraan kon je ook de standen herkennen: heren droegen een hoed, arbeiders een pet. Ik herinner mij nog goed dat de mensen heel erg naar hun stand werden behandeld en aangesproken. Een arbeider kreeg maar weinig respect! Gelukkig merk je tegenwoordig niet zoveel meer van die standsverschillen. Overigens heb ik nog jaren plezier gehad van mijn jas en muts.
