Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home > Verhalen > De wereld op zijn kop
Gecontroleerd door redactie

De wereld op zijn kop

[800-1594]
Afbeelding bij dit verhaal

Stad en Lande zijn in 1536 deel gaan uitmaken van de Bourgondisch-Habsburgse Nederlanden. Tot ‘gelijkschakeling’ leidde dit echter niet. Er bestonden grote verschillen in de manier waarop de Nederlandse gewesten werden geregeerd en ook de aard van hun band met de centrale regering in Brussel verschilde van geval tot geval. In Utrecht, Gelderland en Overijssel was de invloed van de landsheer minder sterk dan in Holland, Zeeland, Vlaanderen en Brabant. In Utrecht hadden de gilden zelfs de stedelijke politiek beheerst. Maar toen de Habsburgers daar in 1528 aan de macht kwamen, werd het stadsbestuur naar Hollands model hervormd. De gouverneur werd de baas over bestuur, strijdmacht en rechtspraak. Onder zijn bevelen mochten de leden van de raad-die werden voortaan door de landsheer uit een opzettelijk beperkt gehouden kring benoemd-het lagere bestuur voeren. De burgers moesten hun wapens inleveren en aan de gilden werd alle politieke invloed ontnomen. Eerder was iets dergelijks ook al in Doornik gebeurd.

In Groningen was het allemaal anders. Hoe anders blijkt uit de analyse van een man die bij uitstek in staat was om een vergelijking te trekken tussen de situatie in Stad en Lande en die welke men elders in de Nederlanden aantrof: Maarten van Naarden. Deze Hollandse jurist vervulde van 1541 tot 1557 in Groningen de functie van luitenant-stadhouder en was als zodanig de enige regeringsambtenaar in de stad. In de brieven die hij aan het Hof in Brussel schreef, klaagde hij bij herhaling over het gebrek aan respect dat hij in het Groningse ondervond en over de vruchteloosheid van zijn pogingen om hier enige orde te brengen in de gang van zaken. Hij kwam meer dan eens in botsing met de Groningse heren en het stak hem dat hij niets over deze weerbarstige lieden te zeggen had.

In 1556 had de geplaagde topambtenaar er genoeg van en gooide de handdoek in de ring. Hij schreef een lange brief aan koning Filips II zelf om hem op de hoogte te stellen van de wantoestanden in zijn ambtsgebied. ‘Ik heb vaak aan de koningin en de stadhouder geschreven,’ aldus Van Naarden, ‘en ik heb ook in 1544, 1548 en augustus 1555 ten Hove mondeling aangegeven hoe de zaken in Groningerland er voor stonden. Ik hoopte dat maatregelen zouden worden genomen ter verbetering, of dat de dingen vanzelf beter zouden gaan. Maar het is alleen maar slechter geworden, en ik denk dat dit komt doordat mijn adviezen niet zijn opgevolgd.’ De luitenant-stadhouder klaagde onder meer over het feit dat de plaatselijke rechters in de Ommelanden hun plicht niet deden en notoire ketters lieten lopen in plaats van hen te straffen. ‘Ofschoon Uwe majesteit de enige is die daartoe bevoegd is, hebben de autoriteiten van Stad en Lande hier op eigen houtje een politieambtenaar (“roderoe”) aangesteld om de landlopers en afgedankte soldaten op te pakken. Dat kan natuurlijk niet, maar mijn collega’s in het college van luitenant en hoofdmannen vinden van wel. Deze lieden gedragen zich alsof de koning hier in Stad en Lande geen andere rechten heeft dan een bedrag aan belastinginkomsten van 12.000 gulden per jaar. Sommigen roepen dat ook gewoon. (...) De stadhouder zou de zaak hier moeten aanpakken, en wel hoe eerder hoe beter. Het zou ook niet verkeerd zijn wanneer hij hulp kreeg van functionarissen uit het Hof. Die zouden alles eens goed moeten onderzoeken en vervolgens deze lieden hier moeten dwingen op te houden met alle “nieuwigheid” en “onredelijkheid”. Ze zouden dan meteen ook een nieuw regeringsreglement voor dit gewest moeten maken.’ Volgens Van Naarden moesten eerst de zaken in de stad worden aangepakt: ‘Als in de stad orde op zaken is gesteld, zullen de Ommelanden vanzelf volgen.’ Een dergelijke inzet van ‘zwaargewichten’ vanuit Brussel was, aldus Van Naarden, broodnodig. Hijzelf zou als luitenant niets kunnen bereiken zolang de wereld hier op haar kop bleef staan. ‘De “gemeente” staat hier boven de raad, de raad staat boven de hoofdmannen en de hoofdmannen staan boven de luitenant. In gevallen waarin het stadsbestuur het niet met mij eens is, verbiedt het de hoofdmannen en de hoofdmansdienaren eenvoudig mijn bevelen uit te voeren. Het kan dat doen omdat hoofdmannen en dienaren op grond van hun burgereed gehoorzaamheid verschuldigd zijn aan burgemeesters en raad.’

Maarten van Naarden had het vooral moeilijk met de eigengereide stadsbestuurders, maar ook in de Ommelanden was de situatie in zijn ogen ‘abnormaal’. Anders dan waar ook traden gewone boeren in de gewestelijke Statenvergadering op als vertegenwoordigers van het platteland en net zoals hun collega’s in de stad trokken de plattelandsrechters zich niets aan van ‘hogerhand’ en gingen gewoon hun eigen gang.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.

Verwante items