In 1894 opende het Groninger Museum zijn poort aan de Praediniussingel. De drijvende kracht achter het nieuwe museum was Jhr. Mr.J.A. Feith. Hij was, net als voor hem zijn vader en zijn grootvader, archivaris van het Rijksarchief en zeer betrokken bij de geschiedenis van onze provincie.
Feith's museum opzet voorzag een groot aantal stijlkamers waarvoor hij niet alleen meubilair, maar ook hele betimmeringen verzamelde. Het museum was groter voorzien, dan gebouwd. In 1903 en 1907 werd er een vleugel bijgebouwd. In de laatste vleugel was de achterste kamer gereserveerd voor een Westerwoldse kamer. Feith werd bij zijn inrichting geholpen door zijn vrouw, een Jonkvrouw Gockinga en verdere gezinsleden. Het meest aantrekkelijke van den arbeid, zo schreef hij in het verslag, was voorzeker het in orde brengen van de Westerwoldse kamer door velen als de "clou" van het museum beschouwd. De Westerwoldse kamer was in korte tijd uitgegroeid tot een icoon van de Groninger cultuur en bleef dat tot het laatst.
De Westerwoldse kamer werd afgebeeld op koekdozen van Klaassens koek, vormde de achtergrond voor prentbriefkaarten van Groninger dracht, kreeg als "kraamkamer" een plaats in de Groninger Encyclopedie van K. ter Laan en was feitelijk nep. Westerwolde, zo wist Feith, was een bijzonder gebied. Landschappelijk gezien een soort Drents landschap met een eigen geschiedenis. In de Middeleeuwen behoorde het kerkelijk tot het bisdom Osnabrück, terwijl de wereldlijke macht bij de bisschop van Munster hoorde. Westerwolde was een heerlijkheid waarmee de landsheer leenmannen kon belenen. Zo was de graaf van Aremberg in de 16de eeuw een van die leenmannen. In 1593 verwierf de Staten-Generaal de leenheerlijkheid. In 1619 benoemden zij de stad Groningen tot leenman. Feith ging er van uit dat deze geschiedenis ook tot een eigen karakter van de materiële cultuur leidde. In de kamerbetimmering zag hij Westfaalse invloeden. De Groninger cultuurhistoricus Johan de Haan kwam bij zijn grondige studie van de het Groninger interieur echter tot de slotsom dat het snijwerk volkskunstig was, en dat niets op Westfaalse invloeden wees. De voorwerpen waren grotendeels afkomstig uit andere streken, veelal geschonken door de elite en de kamer was veel te hoog voor de betimmering. Het was zo niet een originele kamer, maar veeleer een voorbeeld van invented tradition. Maar, en dat zal van grote invloed zijn geweest, het was de enige stijlkamer die niet gewijd was aan de cultuur van de elite. De andere stijlkamers, hoe mooi ook ingericht met oude spullen uit Groningerland, toonde de wereld van de jonkers, de rijke burgemeesters, kortom de regenten van Stad en Ommeland. In een overwegend agrarische samenleving was de Westerwoldse kamer de plek waar men de eigenheid ervoer. Hier dacht men als Groninger, hier ben ik thuis. Dit is de ideale achtergrond voor mijn drachtfoto's. Dit is iets voor mijn koekdoos
In 1968 besloot directeur Westers dat stijlkamers uit de tijd waren en werd ook de Westerwoldse kamer opgeheven. De kamer verdween in de depots van het museum.
De Westerwoldse kamer bleef echter voortleven in de herinnering van zeer velen. Ook bij de auteur van dit artikel die als schooljongen ter herinnering aan zijn bezoek de hier afgebeelde prentbriefkaart van zijn schamele zakgeld kocht.
