Nadat de stad Groningen in 1594 door het Staatse leger onder leiding van prins Maurits en graaf Willem Lodewijk was ingenomen, moest een oplossing gevonden worden voor de bestuurlijke problemen in het veroverde gebied. De grote Ommelander heren hadden al in 1579 de zijde gekozen van de gewesten die van Filips II af wilden. Zij voelden er niets voor om samen te moeten werken met de Groningers. De Staten-Generaal wezen enkele geleerde en ervaren heren aan die de knoop moesten doorhakken. De scheidsrechters meenden dat er in Stad en Lande geen vrede zou zijn zolang er sprake was van twee ongelijkwaardige partijen die slechts door middel van een verbond met een beperkte looptijd verenigd zouden zijn. Er viel geen eendracht te verwachten zolang één van beide partijen de ander kon overstemmen. Uitgaande van de gedachte dat ‘gelijckheydt’ de ‘beste moeder van eenicheydt’ is, zagen de gecommitteerden geen andere mogelijkheid dan de volledige gelijkstelling van Stad en Ommelanden. De stem van de stadhouder zou dan de doorslag geven wanneer de stemmen staakten.
Die stadhouder was graaf Willem Lodewijk van Nassau, die deze functie al veel langer ook in Westerlauwers Friesland bekleedde. De graaf begreep dat zijn positie in Stad en Lande een wel heel ondankbare zou zijn. Hij zou ‘meer herten verliesen dan winnen’ door nu eens met de ene, dan weer met de andere partij mee te stemmen. Het zou onmogelijk zijn het beide partijen naar de zin te maken; integendeel, hij zou ze allebei regelmatig voor het hoofd moeten stoten. De partij die door toedoen van de stadhouder bij de stemming het onderspit dolf zou zich ‘haer leedt’ lang herinneren, terwijl de winnaar zijn dankbaarheid voor de ondervonden steun snel zou vergeten. ‘De wereld is immers meer geneigd om leed te wreken dan weldaden te belonen.’ Dit gold, aldus de geschiedschrijver Everhard van Reyd, zeker in het Groningse, waar de winnende partij haar succes eerder beschouwde als haar goed recht dan als een ontvangen gunst.
Hoezeer de gedwongen vereniging van Stad en Lande de Ommelanders aan het hart ging, blijkt uit de reactie van hun syndicus op de uitspraak, die een commissie van de Staten-Generaal op 21 januari 1597 deed naar aanleiding van de bezwaren die van Ommelander zijde tegen eerder getroffen regelingen waren ingebracht.
Het eerste punt van het vonnis behelsde de vernietiging van een eerder gedane uitspraak, die zeer in het voordeel van de stad was geweest. Dit was een opsteker voor de Ommelanders, want hierdoor kwam de weg vrij voor een nieuwe, soepeler regeling van de handel in het gewest. Met het tweede punt van hun uitspraak sloegen de gecommitteerden echter de bij de Ommelander heren glorende hoop de bodem in, want die luidde dat: ‘die Stadt Groeningen ende Ommelanden tusschen d’Eems ende Lauwers’ samen één ‘Heerlicheyt ende Provincie’ zouden zijn. Toen de Ommelander syndicus Hiëronymus Verrutius-nota bene een stadjer van origine!-dit hoorde, barstte hij in tranen uit en bleef snikken zolang het officiële stuk werd voorgelezen. Later, buiten de zaal, klaagde hij ‘dat de heeren Staten de cop van een Drentsche bulle hadden geset op de romp van een Friesche koe’.
