De Blaarkop is een oud-Hollands rundergeslacht dat voornamelijk werd gehouden in de provincie Groningen en daarom de toevoeging ‘Groninger’ heeft gekregen. In 1874 werd een landelijk veestamboek opgericht waarbinnen in 1906 nadrukkelijk drie veerassen werden benoemd. Eén hiervan was de Groninger Blaarkop. Geen enkele andere provincie kan zeggen dat ze een ‘eigen’ rundveeras heeft. Dit is dus met recht iets om trots op te zijn. In 1921 werd de Bond van Blaarkopfokkers opgericht en in 1931 ging deze over in een vereniging. De Vereniging van Blaarkopfokkers in de provincie Groningen kent inmiddels zestig leden, waarvan de meeste melkveehouders zijn.
De Blaarkop is als zeldzaam aangeduid. Daarmee hebben de houders van blaarkoppen iets unieks in de we of op stal. De Blaarkop bestaat zowel in een zwarte als in een rode variant. Tot halverwege de twintigste eeuw werd de rode variant landelijk niet erkend, maar wel door het in het begin van de eeuw opgerichte Groninger Blaarkop Rundvee Stamboek. Dit stamboek bleef enkele decennia bestaan. De zwarte kleur is dominant en lang is het zo geweest dat het rode rund ver in de minderheid was. Door liefhebberij voor de rode kleur en dankzij enkele goede fokstieren is rood momenteel ver in de meerderheid. Speciale liefhebbers richten zich nu weer op de zwarte blaarkoppen.
Het ras kon tot halverwege de vorige eeuw goed meekomen op het gebied van melkproductie en staat nog steeds bekend om haar goede vruchtbaarheid en ook om haar vleeskwaliteit. Sinds ongeveer 1980 is het fokken van blaarkoppen zwaar onder druk komen te staan door de import van hoogproductieve Amerikaanse zwartbonten. Door verdringingskruising is het aantal blaarkoppen tot een minimum gedaald. Toch zijn er nog veehouders die met een blaarkopveestapel goede bedrijfseconomische resultaten boeken. Ze hebben de Amerikaanse verleiding kunnen weerstaan en kozen doelbewust, overtuigd van de kwaliteiten van het ras, voor de Blaarkop. De laatste jaren is er in geringe mate toenemende belangstelling voor het houden van blaarkoppen. Met name in de biologische veehouderij past dit dier goed omdat ze met een kwalitatief minder hoogstaand rantsoen goed kan produceren en daarbij een goede gezondheid bewaart.
