Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen Een kind in Haren in de oorlogsjaren
Gecontroleerd door redactie

Een kind in Haren in de oorlogsjaren

[1940-1945]
Afbeelding bij dit verhaal

Wij woonden aan de Stationsweg in een huis dat vroeger een melkfabriek was geweest. De twee woonkamers lagen aan een lange gang die van de voordeur naar de achterdeur liep. De eerste deur links was de voorkamer. Voor de deur van de achterkamer was een halletje. Hier stond ik met mijn ouders en mijn zusje wanneer het luchtalarm was gegaan als er bommenwerpers overvlogen die het Roergebied gingen bombarderen, of als er Engelse jagers treinen beschoten op het rangeerterrein in Onnen. In het halletje, tegen de deur van de kelder, stond altijd een vluchtkoffertje.

Achter de voordeur bevond zich een groot luik. Voordat mijn ouders naar bed gingen, opende mijn vader het luik, sloot de hoofdkraan en tapte de leiding naar de keuken af. De kraan in de keuken was de enige in het huis. ’s Winters lieten we deze kraan met een dun straaltje lopen om bevriezing te voorkomen - in de oorlogsjaren waren de winters immers streng. Mijn vader ging niet graag het gat in onder het luik, want daar zaten ratten. Hij probeerde ze te vangen met grote vallen die met kettinkjes vastzaten aan de buis van de waterleiding. Als er ’s nachts zo’n val dichtsloeg, was het onder de vloer van de gang een enorme herrie.

De muren in het huis waren erg kwetsbaar. Als mijn zusje en ik aan het stoeien waren riepen mijn ouders in koor: ‘denk aan het behang’. Daar kon je gemakkelijk door gaan. Op de ruwe binnenmuren waren latten bevestigd en op deze latten was een soort jute vastgemaakt. Hierop waren met stijfsel oude kranten geplakt en daarop weer het behang. Bij ons zaten er altijd muizen achter het behang in de achterkamer. Op een gegeven moment bleken ze zelfs een gaatje te hebben geknaagd in het behang boven de schoorsteen.

Voor de schoorsteen stond een allesbrander. Van nat papier maakten we ballen die gedroogd in het kacheltje gingen. Mijn vader had ook een gaslampje aan de muur boven de schoorsteen gemonteerd. Het gasflesje stond gewoon in de kamer op de grond. Als het helemaal donker was en de verduisteringsgordijnen waren dicht dan werd dit lampje aangestoken. Mijn zusje en ik mochten zelfs niet hoesten in de buurt van het kousje van dit lampje, zo teer zou het zijn! Als het kousje kapot ging, hadden we geen licht meer.

De oorlog had zijn weerslag op vele aspecten van het leven. Zo had mijn vader onze radio op bevel van de Duitsers ingeleverd op het gemeentehuis. Maar we misten hem niet, we lazen veel. Elke week haalden we alle vier een boek op bij Reinders in de Kerkstraat. Daar, achter zijn sigarenzaakje, waren twee kamers met boeken van zijn uitleenbibliotheek. Een dubbeltje per boek. Vrijwel elke avond zaten we aan de grote tafel in de achterkamer bij het gaslampje te lezen. Er werd dan niet veel gepraat. Zo nu en dan schonk mijn moeder een kopje surrogaatthee in. Op een avond zei ze: ‘Heel voorzichtig kijken, in het gaatje op de schoorsteen zit een muisje dat ons in de gaten houdt’.

Op een morgen werd er gebeld. Op de stoep stonden twee Duitse officieren en een man in burger die Nederlands sprak. Deze zei tegen mijn moeder dat hij door het raam van de voorkamer naar binnen had gekeken en dat deze kamer de volgende ochtend leeg moest zijn. Die morgen kwam er een vrachtwagen voorrijden die enkele pakken stro en een pakket dekens bracht. Door een paar Duitse soldaten werd alles in de voorkamer gegooid. Om kwart over vijf stonden vier mannen voor de deur die bij ons waren ingekwartierd en die in de voorkamer moesten slapen. Het waren boerenarbeiders uit Oost-Groningen die putten moesten graven voor de Wehrmacht. Mijn ouders waren er niet blij mee, maar we maakten er het beste van. Mijn zusje en ik zaten ’s avonds met rode oortjes te luisteren naar alle verhalen die de mannen vertelden.

Omdat om acht uur de spertijd inging, was iedereen elke avond thuis. Het grootste probleem was de ton. We hadden nog geen watercloset, maar deden onze behoefte in een ton onder een driehoekige plank met een gat erin. In de periode dat de vier mannen in de voorkamer sliepen, werd de ton door mijn mopperende vader een paar keer geleegd in een diep gat in de tuin.

Regelmatig reden er vrachtauto’s door de straat die suikerbieten van het land naar de suikerfabriek in Groningen brachten. Deze moesten vaart minderen in de bocht van de Stationsweg naar de Kerkstraat. Buurjongens en ik sprongen dan achter de laadbak omhoog en trokken er een paar bieten af. Er was niet veel te krijgen tijdens de oorlog en de bieten konden we goed gebruiken. Mijn moeder maakte er stroop van die heerlijk was op brood of in de pap.

De bezetting had ook gevolgen voor het onderwijs. Zowel de Openbare Lagere School als De School met den Bijbel in de Kerkstraat waren door de Duitsers gevorderd. We gingen daarom minder vaak naar school. We hadden een paar dagen per week les in een zaaltje van het gemeentehuis en in een grote kamer van de tandarts.

Ondanks alle negatieve aspecten van de oorlog genoot ik er toch van als de Duitsers zingend door het dorp marcheerden. Ik vond het prachtig, maar ik wist natuurlijk best dat ik het niet mooi mocht vinden. Het waren immers de moffen die ons land bezet hadden en die allemaal slechte dingen deden.

Als ik ’s nachts wakker lig, denk ik een heel enkele keer met enige weemoed terug aan de tijd dat ik een kind was in Haren tijdens de oorlogsjaren.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.