Een muisje was het. Een klein zwartharig mensenmuisje. Ze was zestien jaar, had een inwitte huid met diepe sporen van acne en ze kleedde zich zoals het niet hoorde in de jaren tachtig van de vorige eeuw: een oude joggingbroek om het veel te dunne achterwerk en een vormloos t-shirt dat haar bovenlijf nog schrieler maakte dan het al was. Aan haar voeten een paar afgetrapte gympen. Het was een typisch exemplaar van wat we toen nog ‘een achterbuurtkind’ durfden te noemen. Ze heette Geraldina. Ook dat nog.
Dit muisjesmeisje en nog vijftien anderen moest ik les geven in de Engelse taal. Een uur per week. Ze ging twee dagen per week naar school, de andere dagen was ze werkloos. Ze hoopte ooit een baan te krijgen als verkoopster in een kledingwinkel. Met dat uiterlijk. Met die kleren. Een hopeloos geval, zuchtten we in de lerarenkamer. Tja, maar wat kun je er aan doen.
Al bij de eerste les zag ik het hopeloze er van in om dit kind Engels bij te brengen. Ze sprak Gronings met een paar Nederlandse woorden er doorheen gemoffeld, en ze kon amper schrijven. Ze zat in een klas met meer meiden van haar niveau, en daar had ik nog mazzel mee. Het verschil per leerling was niet zo enorm groot als wel eens het geval was in andere klassen.
Ik besloot mijn lessen aan te passen aan de leerlingen en begon maar eens met een soort aardrijkskunde. Of ze wel wisten waar Engeland lag, dat land waar iedereen de taal van hoorde op de televisie en de radio. Nou, eigenlijk had de helft van de groep geen idee. Dus toen heb ik ze verteld hoe je er komen kon, via Schiphol of Hoek van Holland. Maar dit was te hoog gegrepen. Schiphol was het vliegveld bij Amsterdam, maar waar Amsterdam lag en hoe je daar moest komen, nee, dat ging ze boven de pet. Dat was buitenland voor ze. Eén meisje was wel eens in Zwolle geweest, bij een tante. De anderen waren nog nooit de stad uitgeweest, behalve misschien met een schoolreisje, ooit.
Geraldina keek wezenloos het raam uit. Ik zei: als je ietsje verder naar rechts kijkt, en je denkt je 50 kilometer verder, dan ben je al in het buitenland. Ineens was Geraldina helemaal bij de les: Hè?! Zo’n klein stukje maar? Ik zei: “Ja, Duitsland is hier eigenlijk vlakbij”. Deze voor mij zo banale opmerking bracht de hele klas in rep en roer. Dat was toch zeker niet waar, dat het buitenland zo vlakbij was. En de commotie was compleet toen ik zei, dat je er gewoon met de bus heen kon. In een uurtje was je bij Nieuweschans, de grens over, en dan was je in Duitsland. Niemand geloofde me.
Toen kwam de vasthoudende pitbull in mij los. En die heb je nodig als je op een bureaucratische school werkt waar niets mag en niets kan. De pitbull regelde na veel geharrewar een dagje schoolreis. Naar Nieuweschans en de Duitse grens. Het grootste probleem was de inspectie: wat heeft Engels nu te maken met de Duitse grens. Ik geloof waarachtig dat ik er de Tweede Wereldoorlog nog heb bijgehaald.
Geraldina was helemaal opgetogen dat ze het buitenland ging zien. Ze werd wat losser, begon vragen te stellen en vroeg wat “moi”in het Duits was. Wist ik veel. Ik heb er maar “guten Tag” van gemaakt, ik wist niet hoe men dat op zijn Plattdeutsch zei. Dat weet ik nog niet, trouwens.
De grote dag was aangebroken. Geraldina had zich opgedoft, de andere meiden ook. Het was voor hen al een heel avontuur om de bus naar Nieuweschans te vinden tussen al die andere bussen bij het station. En in Nieuweschans reden we in een paar geritselde auto’s naar de grens.
In 1984 moest je nog een paspoort of een identiteitsbewijs hebben om vanuit Nederland naar Duitsland te mogen reizen. Dat voerde natuurlijk veel te ver. Wat hadden die meiden aan een paspoort? En hoe kwamen ze aan een identiteitsbewijs? Ik had besloten dat ik het er op aan zou laten komen. Als ik de inspecteur van het voortgezet onderwijs zo gek kon krijgen dat hij toestemming gaf voor een schoolreisje naar de Duitse grens, dan kon ik de douane ook wel ompraten als dat nodig was.
Wat een geluk had ik dat we een douanier troffen die luisterde. Ik legde uit hoe de vork in de steel zat en dat deze meiden zo graag even met beide benen op buitenlandse grond wilden staan. Wat hem betrof mocht het. Hij zou wel even overleggen met zijn Duitse collega’s. Toen hij aan de telefoon Duits sprak met de douane een paar meter verderop, vielen er diverse monden open: Hij sprak Duits! Dat kenden ze! Oh! Was dat nou Duits? Van de televisie? Was dat de taal van Duitsland? Ja, meiden, dat is nou Duits van Duitsland.
De Duitse douanier wuifde naar ons groepje dat we door mochten lopen. Ik vroeg aan hem of hij even wat in het Duits wilde zeggen, omdat we dat zo’n interessante taal vonden. Nou, daar was hij niet te beroerd voor. Hij had het even over het weer, en tot hoe ver we het land in mochten lopen. Een tiental meters misschien, maar dat was meer dan genoeg.
Voorzichtig zette Geraldina haar linkervoet naar voren toen we de grenspost passeerden. Het leek wel, of ze wilde controleren of de buitenlandse grond haar kon dragen, alsof het breekbaar ijs was. Stil lachend draaide ze zich naar me om: ze was in het buitenland! En ze had Duits gehoord! De muis was helemaal verdwenen. In plaats daarvan stond een stralende Groningse puber in Duitsland gewoon gelukkig te zijn.
