Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen Een toverende pastoor in Uitwierde
Gecontroleerd door redactie

Een toverende pastoor in Uitwierde

[1594-1795, 800-1594]
Afbeelding bij dit verhaal

Toverij werd door veel mensen gezien als een grote bedreiging. In de middeleeuwen werden al mensen beschuldigd van hekserij, maar dan bleef de straf vaak bij een boete. Pas in de Renaissance begonnen de grootschalige heksenvervolgingen. Vanaf toen werden toverij en de duivel met elkaar in verband gebracht. Ook de sociale onrust die ontstond na pestepidemieën wakkerde de heksenvervolgingen aan. Ook word er wel gezegd dat het vrouwenoverschot, dat was ontstaan door de vele oorlogen, voor een groot wantrouwen zorgde.

Geen middeleeuwse toestanden

Beschuldiging van toverij was niet alleen een verklaring voor tegenslagen, maar ook succes kon een reden zijn voor wantrouwen. Zo werd een metselaar uit Leens van hekserij beschuldigd, omdat hij zijn muur zo snel had gemetseld dat hij wel ‘onseenlijcke hulpe’ moest hebben gehad. Wonderbaarlijke verschijnselen, waar in de Middeleeuwen iemand heilig voor kon worden verklaard, werden uitgelegd als bovennatuurlijk werk van de duivel. De angst voor heksen was in deze periode groot.

Vanaf 1550 was er een piek in het aantal vervolgingen. In heel Europa zouden tussen 1550 en 1650 tussen de 50. en 100.000 vrouwen ter dood worden gebracht. Ook in Groningen werden mensen voor hekserij beschuldigd.  Tussen 1547 en 1557 werden zes vrouwen uit de omgeving Appingedam tot de brandstapel veroordeeld, omdat ze zich zouden hebben ingelaten met toverkunsten. Een van de weinige notabelen die het hier niet mee eens was, was de luthers gezinde pastoor van Uitwierde. “Iedere priester kan bij het opdragen van de mis doen alsof hij tovert”, zo meende hij, “maar dat wil niet zeggen dat je dat ook moet doen”. Vervolgens werd hij zelf beschuldigd van toverij.

Vreemde verhalen in Uitwierde

Deze pastoor was Rumbertus Bouwsema. Over Rumbertus deden vreemde verhalen de ronde. Men vertelde dat hij een dubbelganger had. Rumbertus werd soms op twee plaatsen tegelijkertijd gezien. Hoe kon men hem toch hebben zien eten en drinken op de Knocke in Oostfriesland, terwijl hij op hetzelfde tijdstip stond te preken in de kerk te Uitwierde. Toen een van toverij beschuldigde vrouw uit Appingedam tijdens haar verhoor de naam van Bouwsema noemde, werd ook hij verdacht.

Zijn beschuldiging had waarschijnlijk te maken met een conflict over een stuk land. Het proeven van water was een ritueel dat hoorde bij eigendomsoverdracht van land. De buurrechters moesten bij beëdiging het land op hun duimpje leren kennen . Ze moesten eerst een rondgang om het stadje maken, het drinkwater proeven en tenslotte de eed afleggen bij de grote steen die tegenover de Nicolaïkerk lag. Een echte Damster moet ‘uit de Floem gedronken hebben’ luidde het spreekwoord. Dit was waarschijnlijk ook waarom pastoor Rumbert het water in Uitwierde proefde. Toen hij in 1556 aanspraak maakte op een omstreden stuk weiland, liep hij rond het perceel en proefde het water uit de sloten en kolken en zelfs de bierput. Dit kwam hem duur te staan: pachters beschuldigden hem van toverij. De kaas die gemaakt werd met het water mislukte namelijk en hun kinderen kregen na het drinken van het slootwater diaree.

Kerkvoogd Olger Holtman verklaarde dat hij bij de pastoor een tas had gezien met daarin een verdacht stukje kroeshaar. “Of dat van een doot lichaem uth de aarde gekommen waer”, kon hij niet zeggen, maar hij wist wel zeker dat dit haar gebruikt werd om mee te toveren. Rumbertus verdedigde zich door te zeggen dat de kerkvoogd Haro van Wyncken hem zwart probeerde te maken. Beschuldiging van hekserij was een vaak gebruikte manier om van tegenstanders af te komen. Bousema werd vrijgesproken door de Hoofdmannenkamer. In een brief schreef hij dat zijn tegenstanders hem van zijn kerk wilden beroven: “Se handelen bij mij als de apostelen ende joeden bij Christus unsen Heren in sijn lijden”. De redger Wijnken en Ripperda hadden het op hem voorzien. In 1558 legden zijn buren Popke en Anna Remkens een getuigenis tegen hem af. Hij liet zijn paarden op hun land lopen, omdat hij beweerde dat hij hier rechten op had. Als je kijkt naar de aanklagers van Rumbertus valt op dat hij met de meesten een conflict had over grond dat hij “unrechtlijck lange beseten” zou hebben.

Hoe het precies is afgelopen met pastoor Bouwsema is niet bekend. Vaak werden beschuldigden vrij gesproken door de hoofdmannenkamer, maar ook enkele gevallen werden wel degelijk tot de brandstapel veroordeeld. Na 1597 is toverij niet meer met de dood bestraft.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.

Verwante items