Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen Eeuwenoud landgoed pronkt met nieuwe rijkdommen
Gecontroleerd door redactie

Eeuwenoud landgoed pronkt met nieuwe rijkdommen

[800-1594, 1594-1795, 1795-1914, 1914-1940 , 1940-1945, 1945-1980, 1980-nu]
Afbeelding bij dit verhaal

Cultuurhistorie en natuurschatten op Landgoed Ennemaborgh

Wie de Ennemaborgh in Midwolda bezoekt, hoeft vanaf de Hoofdweg maar enkele tientallen meters te lopen om de ingang te bereiken. Dat was een paar honderd jaar geleden wel anders: de entree lag toen aan de andere kant van de borg. Bezoekers moesten de oprijlaan nemen die maar liefst drie kilometer lang was. Zo kregen ze op weg naar de voordeur een goede indruk van de grootte van het landgoed en van de rijkdom van de borgheer. Die rijkdom is er nog steeds, al bestaat die nu uit natuurlijke schatten zoals de das, de kerkuil en de ronde zonnedauw.

De borg en haar bewoners
De Ennemaborgh dateert van de 14e eeuw en is genoemd naar Ebo Ennens, waarschijnlijk de eerste bewoner van de borg. Net als de andere Groninger borgen is de Ennemaborgh van oorsprong een steenhuis dat later is uitgebreid en verbouwd tot borg. Volgens historische tekeningen van Stellingwerf had de Ennemaborgh ooit twee torens met uivormige daken. Eind 17e eeuw werd de borg grondig verbouwd en kreeg ze haar huidige vorm.

Waar andere Groninger borgen bewoond werden door de machtige landadel, was de Ennemaborgh in handen van stadse families. De Hora Siccama's zwaaiden er lange tijd de scepter en gebruikten de borg als buitenverblijf. In de 19e eeuw werd de borg verkocht aan twee Friezen die een rentmeester aanstelden. Onder hem kwam het landgoed tot grote economische bloei. Er werd geld verdiend met turf, houtteelt, akkerbouw en veehouderij. Later raakten borg en landgoed in verval totdat Het Groninger Landschap in 1965 de borg overnam. De borg werd helemaal gerestaureerd en is sindsdien weer het pronkstuk van het Oldambt. De borg zelf is verhuurd aan kunstenares Maya Wildevuur die in de borg een galerie houdt.

Het park
Het terrein rondom de borg wordt door het Groninger Landschap beheerd als een park. In voorjaar jubelt het gazon het uit van de vele stinsenplanten (börgbloumkes) waaronder de boerenkrokus en de knikkende vogelmelk. De argeloze bezoeker die in de vroege zomer een kijkje komt nemen, zal verrast zijn door het slordige gazon. De eens zo kleurrijke planten liggen rond die tijd uitgebloeid en slap op het lange gras. Er wordt niet gemaaid tot de langste dag geweest is, omdat het loof van de stinsenplanten volledig moet afsterven zodat de bollen voldoende groeikracht hebben voor het volgende voorjaar.

Andere wereld
Wie het park uitloopt en de brug oversteekt, stapt in een totaal andere wereld. Waar rondom de borg orde en netheid heersen met groene gazons en aangeharkte paden, lijkt het natuurbos achter de borg een complete chaos. Omgevallen bomen, dood en rottend hout, open plekken met opschietende planten, het lijkt alsof het bos aan z'n lot wordt overgelaten. Het tegendeel is waar. Het Groninger Landschap vormt het bos, dat eeuwen geleden voor houtproductie was aangelegd, om tot een natuurbos. 

Belangrijke natuurbeheerders in dit bos zijn de koniks, paarden die afstammen van de Tarpan, het Europese wilde paard. Het Groninger Landschap was in 1982 de eerste Nederlandse natuurorganisatie die koniks ging inzetten voor natuurbeheer. De circa veertig paarden schillen de bomen door er bast vanaf te bijten en op te eten. De aangevreten bomen sterven af en vallen uiteindelijk om. Rommelig, zo lijkt het, maar het bos is er blij mee. Het dode hout zorgt voor nieuw leven. Op oude takken en stammen groeien paddenstoelen; op het landgoed zijn al meer dan tweehonderd soorten waargenomen. 

Het dode hout is ook aantrekkelijk voor vele insecten. Oude dode bomen die nog rechtop staan, zijn prima onderkomens voor holenbroeders zoals de specht. Niet alleen het dode hout trekt insecten aan, ook de paardenkeutels van de paarden zijn verleidelijk voor bijvoorbeeld de mestkever. En in het spoor van deze kever volgt misschien wel het grootste succes van het natuurbeheer op het landgoed: de das. De schuwe nachtdieren hebben een burcht op het landgoed betrokken en doen zich er tegoed aan de mestkevers en aan regenwormen. De dieren laten zich niet gauw zien en weten mensen doorgaans goed te ontwijken, maar wie er oog voor heeft kan over het hele terrein hun pootafdrukken aantreffen.

's Nachts is het luchtruim het domein van de vleermuizen en uilen.

Natuurplas
Wat ook bijdraagt aan een natuurlijker bos is de natuurplas die Het Groninger Landschap in 1992 heeft aangelegd. De plas is een oase van rust en wordt bezocht door watervogels als aalscholver, dodaars, grote zaagbek en verschillende soorten ganzen. Broedvogels zijn er ook: rietgors, rietzanger, blauwborst, meerkoet en fuut. Naast de grote plas is een aantal poelen gegraven, waarin allerlei waterdieren voorkomen, zoals kikkers en kleine watersalamanders. Langs de oevers zitten veel libellen.

Honderd jaar
Het omvormingsproces van productiebos naar natuurbos is nog in volle gang. Volgens natuurbeheerders moeten we bij een dergelijk proces pas over honderd jaar weer kijken hoe het bos zich ontwikkeld heeft. Nu bevindt het natuurbos zich "slechts" in een tussenfase, maar deze tussenfase levert voor de liefhebber al veel moois op. Naast de dieren, zijn er de planten zoals ronde zonnedauw, moeraswolfsklauw en rond wintergroen. Het zijn stuk voor stuk mooie bekroningen van het gevoerde natuurbeheer. Het landgoed is oud. Maar de natuur zorgt steeds weer voor nieuwe rijkdommen die we met z'n allen mogen koesteren.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.

Verwante items