Je zag zomaar dat de schilderwerkplaats bij Eppie thuis vroeger een gewone kamer geweest was. Het plafond was nog precies zoals het was, de beige geschilderde balken met daartussen crème kleurige karton en in de hoeken leuke bloemmotiefjes. Dat hadden ze vroeger. De muren waren gekalkt en de vloer was al aardig versleten. In de lange kast met schuifdeuren, die tegen de kamermuur stond, had z’n vader allemaal fijn gereedschap. Onder de kast was een lange metalen bak voor de kwasten. Boven de ‘kwastbak’ was een ‘veelvervig’ stukje muur, daar werden de kwasten op uitgesmeerd voordat ze gebruikt werden. In de achterste hoek was een wc afgetimmerd, dat was voor de onderduikers.
’t Was al avond en de vader van Eppie scharrelde nog wat in de werkplaats rond. Hij was de hele dag weggeweest, naar Onnen om te putje scheppen. Zo noemde men dat. De meeste mannen moesten daar op last van de Weerbaarheidsafdeling-burgemeester (W.A.) naartoe. De burgemeester van Marum was een W.A.-man. Elke dag liep hij in uniform van z’n huis naar het gemeentehuis. Wanneer hij langs de huizen liep waar de Duitsers woonden, kwam zijn rechterarm gestrekt schuins omhoog. De Hitler-groet. Sommige Duitsers, de goeien, draaiden zich om. Die vonden dat hij een landverrader was.
Eppie’s vader zag dat er een Duitser door de steeg ging, die even later de werkplaatsdeur met een ruk open deed. Hij groette niet en begon direct met veel lawaai over verf en over camoufleren te razen. “En waar was u vandaag?!” “Putje scheppen in Onnen”, zei Eppie’s vader kalm. “Dat kan helemaal niet !”, brulde de Duitser. “U moet voor ons werken: fietsen camoufleren, morgen direct, dus morgenvroeg komt u bij ons!”, zei de Duitser kwaad en verliet met stevige pas de werkplaats. “Wat een lawaai en drukte”, mompelde de vader van Eppie en zocht alvast wat verf op die hij de volgende morgen moest gebruiken.
De volgende morgen ging hij al vroeg naar het gemeentehuis om een vrijstelling voor de Organisation Todt (OT) te halen. Gemakkelijk ging dat niet, ze moesten daar van alles weten. Waarom zo ineens? De mannen voor het loket dachten eerst dat het een smoes was. “Of was het eten daar in Onnen zo slecht?”, merkte een van hen op. “Nou, lang niet best die koolsoep”, antwoordde Eppie’s vader. “Dat fietsen viel wel mee”. “ Nou hier is dan een vrijstelling!”, zei de man bits.
Toen zijn vader thuis kwam, stond Eppie al te wachten. Hij wou graag mee naar de garage van Jansma. Even later liepen ze langs de ingang van de garage, waar het wachtlokaal was. Misschien zagen ze daar nog een bekende, omdat daar de mannen naartoe gebracht werden, die door de Duitsers opgepakt waren. Ze zagen een paar mannen in werkkleren op de houten bank zitten, maar het waren geen bekenden. In de garage stonden grote gele wagens en een paar auto’s. Een Duitse soldaat gaf aanwijzingen. Even later voorzag Eppie’s vader de voertuigen van grille figuren. Eppie begreep de bedoeling er niet van. “Waarom moeten er nou van die gekke figuren opgespoten worden ?”, vroeg hij aan een monteur, die goed Nederlands sprak. “Nou”, zei hij, “Het gaat er om dat die auto’s en wagens niet zo op zullen vallen vanuit de lucht.” “ Als deze wagens tussen de bomen staan, zie je ze bijna niet meer.”
Toen de vader van Eppie ’s middags het camouflagewerk bijna klaar had, kwamen er twee Duitsers in de garage. Ze vertelden dat ze van Drachten gekomen waren en nog naar Groningen moesten op de fiets. En omdat er ’s middags meestal Engelse vliegtuigen overvlogen, wilden ze hun fietsen ook gecamoufleerd hebben. Ze vonden dat een veiliger gevoel. Het was een komisch voorstel, twee gecamoufleerde fietsen. Niemand in de garage durfde er om te lachen. De fietsen werden één voor één keurig voorzien van de gekste figuren in groen en bruin, maar het bleven fietsen. De twee soldaten hadden ook camouflagejassen aan, misschien dat het geheel niet zo opviel. Ze vonden het wel lang duren voordat de verf droogde. Ze werden zo ongeduldig, dat ze toch maar besloten om te vertrekken. Ze moesten ook helemaal nog naar Groningen. Bij het opstappen ging hier en daar al wat verf van de stangen af en belandde in hun kleren. Toen ze weg waren moesten de mannen er toch hartelijk om lachen. Toppunt van camouflage, noemde Jansma dat.
Eppie scharrelde wat achter de garage en zag een oude Duitse soldaat gehurkt bij een bus benzine z’n geweer schoon te maken. Het was “Opa”, zo noemde iedereen van de buurt hem, omdat hij de oudste van de Duitsers was. Hij vertelde wel es dat hij eerst bij het “paardenvolk” geweest was. Dat zag je nog wel aan z’n kromme benen. Als herinnering daaraan droeg hij nog sporen aan zijn laarzen. Bij elke stap die hij deed, rammelden ze. Eppie vond het echt stoer staan. Hij had ook al eens sporen gemaakt van dik ijzerdraad. Eppie ging bij “opa” zitten en keek naar de onderdelen van het geweer, die keurig schoon gemaakt werden en daarna op een stuk papier werden gelegd om na te drogen.
Jansma kwam ook even om de hoek van de garagedeur kijken.“Mooi hè, zo’n geweer, maar “opa” kan er niet eens goed mee schieten”, zei hij terwijl hij naar Eppie knipoogde. Eppie lachte wat zuinig, want hij wist niet hoe “opa” hier op zou reageren. “Wat, ik niet schieten?”, grauwde de oude man. “Dat zal ik jullie zo meteen eens laten zien!” Vlug maakte hij de rest van het wapen schoon en met trillerige handen zette hij het in elkaar. Hij deed een greep in z’n broekzak en haalde daar een patroon uit. Eppie schrok ervan en haalde zich de wreedste dingen in zijn hoofd. Waar zou “opa” nou op gaan schieten? “Opa” keek om zich heen en vond op de afvalhoop een flesje, liep naar de afrastering van het weiland en zette het flesje op een paal. Jansma had de andere mannen verteld wat er zou gaan gebeuren en toen Eppie naar de garagedeur keek, zag hij allemaal lachende gezichten achter de kleine ruitjes. “Opa” grendelde z’n geweer en een harde knal klonk achter de garage, die beantwoord werd door de echo ergens bij het achterpad. Alle ogen waren op het flesje gericht dat nog mooi overeind stond op de paal. Eppie durfde niet te lachen, want hij zag een wrange trek op het gezicht van “opa”, die z’n nederlaag moeilijk verwerken kon. “Nog een keer proberen”, zei Eppie. “Ik heb geen patronen meer!” was het bitse antwoord.
