De Groninger stadsbestuurders hebben zich altijd schrap gezet tegen pogingen van ‘hogerhand’ om zich te mengen in lokale aangelegenheden. De heren in het raadhuis waren van mening dat zijzelf de enigen waren die het recht hadden en in staat waren het Groningse schip van staat te besturen. Ze beriepen zich daarbij op het tractaat van 1536, waarbij Stad en Lande zich onder de bescherming van keizer Karel V hadden gesteld. Had de keizer hen niet beloofd dat hij de rechten en vrijheden van Stad en Lande zou respecteren en beschermen?
Het spreekt voor zich dat de Groningers zich niet zomaar van deze positie lieten afbrengen. Maar omdat hierover in kringen van de regering in Brussel anders werd gedacht, kwamen de stedelijke bestuurders meer dan eens in botsing met regeringsvertegenwoordigers. Over een van die twistgesprekken zijn we goed geïnformeerd. Het vond plaats op 15 januari 1556 tussen Maarten van Naarden, de door de centrale regering benoemde voorzitter van de Hoofdmannenkamer, en enkele vertegenwoordigers van Stad en Lande, onder wie burgemeester dr. Johan Sickinge en syndicus dr. Hiëronymus Frederici. Uit het verslag: ‘Tijdens deze woordenwisseling wonden enkele aanwezigen zich hevig op, want het leek erop dat Van Naarden op een slinkse manier probeerde ons aller vrijheid, tradities en goede gewoonten buitenspel te zetten. De regeringsambtenaar nam daarop zelf het woord, op een grievende en spottende toon, zoals we van hem gewend zijn. Hij vroeg wat voor bewijzen de heren van Stad en Lande dan wel niet hadden voor die oude tradities en goede gewoonten, hij kende ze in ieder geval niet.
Daarop diende dr. Sickinge hem op strenge toon van repliek: “Met uw onwetendheid hebben we niets te maken. U bent een vreemdeling die nog maar dertien of veertien jaar geleden hierheen is gekomen. U hebt steeds alle beloften van de keizer en de koning verdraaid naar uw eigen inzichten en daarmee tweedracht gesticht en ergernis gewekt. U wilt vaak niet eens weten wat u voor een goede uitvoering van uw taken juist wel zou moeten weten. Wij, bestuurders van Stad en Lande, die hier geboren zijn en uit families stammen die van generatie op generatie hier gewoond hebben en altijd samen dit gebied hebben bestuurd, wij hebben die kennis van zaken wel en moeten die ook hebben. We hebben niets te maken met uw arrogante en eigengereide praatjes.”’
Volgens burgemeester Sickinge konden Stad en Lande dus alleen bestuurd worden door mensen die over een gedegen kennis beschikten van de plaatselijke verhoudingen en de geschiedenis ervan. Een vreemdeling die van niets wist zou als een olifant door de porseleinkast banjeren en de bevolking tegen zich in het harnas jagen. De kans daarop was extra groot omdat veel van die zo belangrijke informatie niet op papier was vastgelegd. Ze behoorde tot het ‘collectieve bewustzijn’ van de lokale bevolking en haar leiders. Die wilden gerespecteerd worden en stonden daarom vijandig tegenover regeringsvertegenwoordigers die door hun manier van doen en hun uitspraken lieten zien dat ze dat respect niet konden of wilden opbrengen.
De gevoelens en overwegingen die burgemeester Sickinge verwoordt komen ook eenentwintigste- eeuwers niet onbekend voor. We zijn dagelijks getuige van centraliserende ontwikkelingen in het openbaar bestuur, de overheidsdienst en het (grote) bedrijfsleven. ‘Hogerhand’ haalt taken en bevoegdheden van lagere niveaus weg en concentreert ze op een hoger niveau in de organisatie. Het doel klinkt steeds uitermate rationeel: het gaat om grotere efficiency, betere sturing en scherpere controle. Of dat doel bereikt wordt is niet zeker. Wel zeker is dat lokale kennis verloren gaat, de afstand tussen ‘boven’ en ‘beneden’ toeneemt, de salarissen ‘boven’ groeien en ‘beneden’ verbittering en vervreemding zich verbreiden. Even bekend komt ons ook het optreden voor van managers, die er, net zoals Maarten van Naarden, prat op gaan niet over vakkennis te beschikken en hun ouderwetse ondergeschikten op de ziel trappen met hun stelling dat inhoudelijke kennis het ‘runnen van de toko’ alleen maar in de weg staat.
