Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen Hajo Albert Spandaw
Gecontroleerd door redactie

Hajo Albert Spandaw

[1594-1795, 1795-1914]
Afbeelding bij dit verhaal

Griffier 1827 - 1846
Geboren te Vries op 23 oktober 1777. Overleden te Groningen op 28 oktober 1855. Inschrijving aan de universiteit van Groningen op 1 april 1795, waar hij 9 februari 1799 op stellingen promoveerde tot doctor in de beide rechten.

Hajo Albert Spandaw huwde te Noorddijk in maart 1799 met Henrica Woortman (gedoopt Groningen 26 januari 1781 - Groningen 6 augustus 1781). Zij was een dochter van Pieter Woortman en Eva Takens. Uit dit huwelijks werden elf kinderen geboren.

Familie
De familienaam suggereert een herkomst uit de plaats Spandau in Brandeburg. In haar studie naar de oudste leden van dit geslacht zet mevrouw Elema op goede gronden vraagtekens bij deze stelling. Gezien de verschillende schrijfwijzes van de familienaam, onder andere ook wel als Spanhouwer geschreven, ligt een beroepsaanduiding (Spaanhouwer) evenzeer voor de hand. Hoe het ook zij, in de loop der tijd won de familienaam geschreven als Spandaw steeds meer veld. Misschien wel omdat de familie dit chiquer vond staan.
De oudste gegevens over de familie Spandaw dateren van 1564. De leden oefenen regelmatig het beroep uit van belastingpachter en vanaf het begin van de 17e eeuw treffen we ook enkele drukkers en boekverkopers aan. Gedurende de 17e en 18e eeuw is er sprake van een opwaartse sociale mobiliteit van de familie. Hoewel ze nog geen deel uitmaken van de hoogste kringen van het patriciaat waaruit de burgemeesters van de stad werden verkozen, oefenden ze wel steeds vaker publieke functies uit van een lager niveau.
De grootvader van Hajo Albert Spandaw, eveneens Hajo geheten, had een drukkerij in de Guldenstraat en mocht zich academiedrukker noemen. Misschien dat hier de kiem ligt voor de onmiskenbare liefde die Hajo Albert voor het gedrukte woord koesterde. Hij moet in de bibliotheek van zijn vader toch op z'n minst werken hebben gezien die door zijn grootvader waren gedrukt en uitgegeven.

De drukkerszoon Georg Jan Spandaw (Groningen 1739 - Bellingwolde 1808) koos een hele andere richting en liet zich op 1 juli 1755 aan de Groninger universiteit inschrijven om godgeleerdheid te studeren. Na zijn studie met succes te hebben afgesloten was hij als predikant werkzaam te Noordwolde (1768), Visvliet (1774), Vries (1775), Ten Boer (1778) en Bellingwolde (1783-1808). 

Hajo Albert werd 1777 te Vries geboren. Zijn moeder was Sara Anna Havering Tideman (Amsterdam - Bellingwolde 1789) met wie zijn vader in juni 1772 te Noordwolde was gehuwd. Het knaapje was amper een jaar oud toen het gezin naar Ten Boer verhuisde waar zijn vader een beroeping had ontvangen. Tezelfdertijd was de vermaarde schoolmeester Hendrik Wester werkzaam in dit dorp. Volgens overlevering zou ook Hajo Albert van deze kundige man, een vurig aanhanger van de principes van de Verlichting, les hebben gehad. Samen met zijn moeder, die de dichtkunst beoefende, zou Wester het zaad van de poeët in het hart van het toen pas zesjarig knaapje hebben gezaaid. In 1783 verhuisde het gezin naar het fraaie Bellingwolde, waar zijn moeder in 1789 overleed. Kort daarop stuurde zijn vader hem naar de stad Groningen. Hier bezocht Hajo Albert de Latijnse school en aansluitend de Groninger universiteit.
Kort na zijn afstuderen vestigde hij zich als advocaat te Groningen. Kort voor 1803 werd hij benoemd tot secretaris van het gerecht van Selwerd en Sappemeer. Na de reorganisatie van de rechtsspraak kreeg hij vervolgens in 1803 de functie van secretaris van de jurisdictie van de Beide Oldambten met als standplaats Zuidbroek. Na de Bataafs-Franse tijd (1795 - 1813) traden er grote veranderingen op in de structuur van de rechterlijke macht, die paradoxaal genoeg veel overeenkomst had met de situatie in Frankrijk, en verloor Spandaw zijn functie. In plaats daarvan werd hij benoemd tot rechter van instructie in het arrondissement Zuidbroek. De geringe vergoeding die dit rechterlijke ambt hem bood, noopten hem al spoedig ontslag uit zijn functie te nemen. Hij besloot zijn oude beroep van advocaat weer op te nemen.
Zijn drukke bezigheden hadden Spandaw niet belet om zich ook met de letteren bezig te houden. Vanaf 1800 verscheen een schier onafzienbare rij van toneelstukken, gedichten, lofredes en prozastukken. Zijn werk wordt gekenmerkt door een emancipatorische gedachte, zoals die ook in instellingen als de Maatschappij tot 't Nut et cetera tot uitdrukking komt. Het 'gewone volk' zou door het lezen van werken als het zijne en zijn medestanders worden beschaafd. Hoe het ook zij, Spandaw bracht het tot grote bekendheid en roem. En in 1814 bood de Groninger universiteit hem zelfs een leerstoel in de Nederlandse taal- en letterkunde aan. Spandaw, inmiddels in het bezit van een bloeiende advocatenpraktijk, sloeg het aanbod echter af.
Ook op politiek niveau was zijn ster rijzende: hij werd verkozen tot lid van de Provinciale en Gedeputeerde Staten. Maar omdat ze onverenigbaar waren met zijn beroep als advocaat, gaf hij ook deze functies op om in 1820 weer terug te keren als Statenlid.
Inmiddels had hij een leven in Zuidbroek verwisseld voor dat in Groningen. In juli 1827 werd hij hier benoemd tot griffier, een functie die hij tot 1846 zou vervullen tegen een jaarloon van 2800 gulden. Aansluitend werd Spandaw bij KB van 22 mei 1846 nr. 54 tot raadsheer bij het provinciaal gerechtshof benoemd. Vanwege zijn vele verdiensten voor de publieke zaak was hij benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw en tot commandeur van de Orde van de Eikenkroon.
Spandaw overleed in zijn woning aan het Martinikerkhof 15 op 28 oktober 1855.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.

Verwante items