Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen Herinneringen aan Polen
Gecontroleerd door redactie

Herinneringen aan Polen

[1945-1980]
Afbeelding bij dit verhaal

Nog even zwaaien naar mijn ouders en dan verdwijnen ze uit het zicht. Bij de kruising twijfel ik… nog even naar de polder? Het is prachtig weer en ik kan de verleiding niet weerstaan. Al snel kom ik bij de dijk en de wereld uit mijn jeugd: het gehucht Polen. Langzaam rijd ik langs de plek waar mijn ouderlijk huis stond. Weer ervaar ik de schok van het verdwenen huis. Jaren geleden door vlammen weggevaagd. Zelfs het bruggetje waarop ik balanceerde (als mijn moeder niet keek), is verdwenen.

Als ik mijn ogen sluit zie ik alle kamers nog. Pa timmerde op zolders de slaapkamers: één voor de meisjes en één voor de jongens. Soms kwam opoe in een zwarte taxi op visite. Zij sliep dan naast mij in het tweepersoonsbed en ik voel nog het zachte flanel van haar nachtpon.

Reparaties aan het huis voerde pa zelf uit. Ook bouwde hij een enorme schuur voor het kleinvee. Water kwam uit de regenbak (hemelwater) of uit de put (grondwater). Zwaar werk, vooral als de wekelijkse was werd gedaan, want we hadden geen pomp. Tijdens een kurkdroge zomer stonden de put en de regenbak droog. Met een tank op een boerenkar werd de watervoorraad aangevuld.

In het achterhuis was een hokje afgetimmerd dat dienst deed als WC. Een houten bankje met een rond gat erin en eronder een grote emmer. Deze werd op de mesthoop geleegd en in het voorjaar verspreid over de tuin. Goed voor de prei! Kranten lagen er naast om je billen te vegen. ‘s Winters vroren je billen er bijna af!

Onder de gang was de aardappelkelder, gevuld met een grote voorraad. De “gewone” kelder stond vol met rijen weckflessen en een Keulse pot met snijbonen. Op de koude keldervloer lagen vaak dode dieren: eenden, fazanten, patrijzen, hazen en kippen. Regelmatig stond er een emmer met vis: paling, schar, schol enz. Pas later besefte ik dat wij vaak “rijk” aten. Van wild tot mosselen. Van haas tot lamsbout. Maar, ook ons eigen geitje werd door ons opgepeuzeld. Gelukkig hadden wij daar geen weet van, het geitje was gewoon weg.

Er werd gekookt op een gasstel met butagas. Wel stond er altijd een grote emmer vers water met een drinknap erin. Hadden we dorst dan dronken we daaruit. Voor het avondeten verdween het pluchen tafelkleed en lag er een “zwilk” op de tafel. Ook stond er een “rooktafel”, waarop de sigaretten en de asbak stonden. Zou je nu bijna een boete voor krijgen! De kasten in de kamer zag je bijna niet omdat ze “behangen” waren. Onze eerste televisie kreeg een plaatsje op het dressoir. Tot dan keken wij bij de buurman naar “de Verrekijker”.

De tuin werd helemaal gebruikt als moestuin. In de zomer waren er lekkere frambozen, aardbeien en kersen. Het was prettig om tussen de aardbeien te leren of te lezen. Het enige geluid wat je hoorde was van de landbouwmachines. Heerlijk om daar weg te dromen. De lange waslijnen langs de tuin hingen wekelijks vol wapperende lakens, lekker in de wind. Ook werd er nog was op de bleek gelegd, de zon “bleekten” de vlekken. In het voorjaar hield mijn moeder, zoals het hoorde, de grote schoonmaak. Kleden, dekens enzovoort kwamen op het grote wasrek te hangen om gelucht te worden. Dit wasrek was ook ons “huisje” om in te spelen.

Het bijzondere aan mijn ouderlijk huis was wel de ligging: aan de dijk. Nog altijd word ik een beetje weemoedig als ik die dijk weer ergens zie. Ik vind het een feest om over en langs de dijk te fietsen, vooral met warm weer: beetje wind, beetje zon… Ach, een zorgeloze tijd en in mijn herinnering scheen de zon altijd en plukten wij madeliefjes op de dijk. In die tijd woonden er nog meer gezinnen “op Polen”. Soms werd er op een warme zomeravond achter de dijk gevoetbald. Tussen de koeienvlaaien en mollenhopen werden doelen aangegeven en hadden we enorm veel plezier met elkaar. Ik weet nog hoe één van de kinderen van de dijk af fietste, niet kon stoppen en een paard niet kon ontwijken. Beiden doorstonden de botsing zonder gevolgen! Met de zelfgebouwde slee gleden we van de dijk af: daar kan geen “Winterbergen” tegen op!

De bewoners hadden een hechte band en er was nog sprake van naoberplicht. Je kon altijd een beroep op de buren doen. Zo fietste de buurman drie kilometer naar de huisarts toen mijn moeder van mij moest bevallen.

De weg naar het dorp was niet verhard, maar de bewoners hadden een keurig fietspad aangelegd. Het pad was echter te smal om elkaar te kunnen passeren. Wij wisten wel wanneer we “voorrang” hadden, maar wisten de tegenliggers dit ook? Meestal wel, maar soms belandde er toch iemand in de sloot naast het fietspad. Als er een laag sneeuw viel, werd het fietspad door de vaders “geruimd”.

In de zestiger jaren kwam er vanuit het Duitse Roergebied belangstelling voor de huisjes op Polen. De Duitsers ontdekten de rust en de schone lucht. Voor een appel en een ei werden de meeste huizen verkocht. Zo trokken alle vaste bewoners uit het gehucht en vestigden zich in het dorp. Ook wij: toen ik 16 was, verhuisden wij naar een rijtjeshuis in het dorp en hoefde ik ’s avonds niet meer alleen door de polder te fietsen. En nu… soms rijd ik er nog even langs en voel heimwee: een fijne woonplek om op te groeien, het huis op Polen.

Als ik verder ga, bedenk ik dat ik nog even bij het “Pomphuis aan zee” wil kijken en rijd over de dijk. Plotseling stopt het weggetje. Ik probeer op de akker te draaien. Stom, stom, stom. Ben je er geboren en dat toch nog vergeten hoe de vette klei je vastzuigt. En daar sta je dan: tot de assen in de klei. Op mijn hakjes verlaat ik de auto en besluit bij de dichtstbijzijnde boerderij om hulp te vragen. Na 100 meter stopt er een auto: de bewoners van de boerderij! Zit je vast? Even de trekker halen? Na 10 minuten word ik losgetrokken. Ik bedank Willem en hij heeft duidelijk leedvermaak. De mensen in de polder zijn nog net zo hulpvaardig als 50 jaar geleden.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.

Verwante items