Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen Het geluid van de stilte
Gecontroleerd door redactie

Het geluid van de stilte

[1980-nu]
Afbeelding bij dit verhaal

Kikkers. Niet één, niet vijf, maar tientallen. Op warme lome zomerdagen leek het of ze de drukkende hitte nog zwaarder maakten met hun gekwaak. Ritmisch, alsof ze onderling hadden afgesproken tegelijk in en uit te ademen. Ze zaten er niet voor niets, die kikkers. Er was water. Het kanaal liep vlak achter ons huis langs. Het kronkelde door het Groninger landschap alsof het zich nooit wat had aangetrokken van de vele rondes ruilverkaveling die de provincie in een rechthoekige lappendeken hadden veranderd. Om de twee kilometer boog een brug zichzelf een weg door de lucht, statig over het water. Als je je ogen toekneep leek het Afwateringskanaal, dat het Schildmeer met het Slochterdiep verbond, op een rivier. Een natuurlijke stroom die zich een weg baande naar de Waddenzee. Plezierjachtjes gleden op zonnige zomerdagen langzaam van het Schildmeer de provincie in. Kinderen doken van aanlegsteigers in het water. Honden leken te blaffen. In onze tuin zag je het, maar hoorde je niets. Net te ver weg. Alsof je naar een film keek waar het geluid van was uitgezet.

Geluid was er dan ook bijna nooit, in ieder geval geen geluid dat door mensen werd voortgebracht. Groningse stilte bestond bij ons uit het ruisen van de wind door de bladeren van de hoge iepen, het gekwetter van de zwaluwen in onze schuur en het gekletter van regen op het dak. 's Nachts vermoedde ik een uil in de schuur, onze kat op het dak, of een muis op zolder. Maar vaker was het doodstil. In stilte hoor je pas echt, zeggen ze. Monniken beweren dan ook vaak terecht: stilte is pas echt luisteren. Naar je eigen hartslag, stemmen in de verte, een scholekster boven het water. Sluit je ogen en luister naar Groningen. Het vertelt haar eigen verhaal.

Als ik tegenwoordig een mus of vink hoor kwetteren ben ik in gedachten weer bij mijn opa en oma, in hun huisje aan de Noorderstraat in Siddeburen. Het was een woningwetwoning zoals er vele zijn gebouwd in Groningen. Rode baksteen, puntdak, twee-onder-één-kap, een paar blokken naast elkaar. Je vindt ze in Thesinge, in Scheemda, in Engelbert en ook in Siddeburen, die Van der Molen-huisjes. Klein tuintje ervoor, met een vierkant lapje gras en een lage heg. Een oranje markies voor het grote raam die door jaren zonlicht steeds valer wordt. Langs het huis de oprit, vaak met grind. En bijna altijd coniferen langs het erf. En daar dan die vogels in, met hun getjilp. Ik hoor het en ben weer het kind van 12, in 1985. Ik ruik de meubelwas van oma, en zie mijn opa statig en langzaam, alsof de tijd er niet toe doet, zijn tuin harken. Ik proef weer de koffie die nog met de ketel werd gezet, met veel melk en suiker. Alle zintuigen lijken hun eigen herinnering te hebben, opgeroepen door een geluid dat bijna onopgemerkt mijn gehoor binnendanst.

Maar langzaam verdwijnen ze, die geluiden. Uit de provincie en uit mijn hoofd. Als een olievlek die juist kleiner wordt, verstommen de Groningse klanken; zwijgen de mussen, vliegen de zwaluwen mijn geheugen uit. De coniferen van mijn opa en oma zijn er niet meer. Gekapt, en vervangen door moderne houten schuttingen en witte bloembakken. En op de dijk van het Afwateringskanaal lijken alle geluiden van vroeger onvindbaar, of overstemd door mensenlawaai. Het waaide er gisteren, maar de iepen ruisen er niet meer. Ze hebben plaats gemaakt voor een kaal grasveld en een grote moderne schuur waar landbouwmachines driftig staan te ronken, wachtend op de oogsttijd. Een vliegtuig vliegt over. Ik hoor heipalen in de verte. Verkeer. Ik sluit mijn ogen, en zoek in mijn geheugen naar geluidsgolven die twintig jaar geleden zo gewoon leken. Mijn ademhaling suist door mijn lichaam. Ik voel mijn hart bonzen. En hoe stil ik ook probeer te zijn, overal komt lawaai vandaan. Ik draai me om en loop de dijk af. De zon prikt op mijn huid, de planten en het gras kriebelen langs mijn blote enkels, ik ruik pasgemaaid gras. Al mijn zintuigen worden geprikkeld. En langzaam, heel langzaam beginnen ze te kwaken. Zachtjes, twijfelend. Alsof ze afscheid nemen. Maar ergens weet ik dat ze er altijd zullen zijn, die kikkers. In ieder geval in mijn herinnering.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.

Verwante items