Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen Het jaagpad
Gecontroleerd door redactie

Het jaagpad

[1945-1980]
Afbeelding bij dit verhaal

Zolang ik me kan herinneren heb ik een sterk verlangen gehad naar ‘de natuur’. Een verlangen naar buiten, een eigen tuin, het bos, wonen op een boerderij, naar de namen van planten en vogels.

In onze straat, de Eeldersingel in de stad Groningen, met huis aan huis winkels, waren geen tuinen en bijna geen bomen. Alleen het huis van de sluiswachter, een hoog, wit huis, was royaal van groen voorzien. Een rij knotlindes stond opzij langs het huis en een grote bleek lag er naast. En er stond een hoog houten hek omheen.

Mijn vriendinnetje Grietje en ik hadden toch in onze buurt een stukje buiten gevonden waar we konden spelen. Een morsig plekje half onder de brug van het Hoornse diep, vlak bij ons huis. Een soort trap naar het water, twee brede treden afbrokkelend beton, begroeid met onkruid. De bovenste tree gebruikten we als bankje. Dat was ons speelplekje, aan de voet van het brugwachtershuisje, daar speelden we met onze poppen.

Af en toe kwamen er binnenvaartschepen langs, diep in het water gelegen, de ‘Volharding’, de ‘Ambulant’, de ‘Niet Zonder Hoop’. Wij slopen dan stilletjes met onze spulletjes weg naar een hekje langs het pad. De verkeersstroom stond stil, de brug ging open. De schepen voeren rustig door de brug, want de schipper moest al varende de brugwachter betalen. Die liep dan naar beneden, naar ons plekje en stak een hengel uit met een kleine klomp er aan. Daar stopte de schipper het geld in. Als alle schepen door de open brug gevaren waren kwam het donkere water weer tot rust. Oliekringen, bleven achter, met de kleuren van een duivenhals.

Het pad langs het diep was een oud jaagpad, dat wel breed begon maar later versmalde, het heette het Zwarte Weggetje. Aan het weggetje lagen schuren, en de witte barakken van het landbouwproefstation met potten gras achter de ramen. Het rook er naar stoffige steenslag, roet en dieselolie. En naar de zure lucht van de brandnetels in de wal. Die stonden als wachters om de mooie bloemen in de berm. Om het fluitenkruid, de morgenster, de berenklauw, de winde, de smeerwortel, het leverkruid te beschermen. Namen die ik nog niet kende. Als we verder liepen over het zwarte weggetje kwamen we bij de spoorwegovergang, waar de spoorbrug met hoge bogen over het water ging. De Blauwe Engel kwam er langs en ook lange goederentreinen denderden over het kanaal, de locomotief voorop.

Voor het spoor boog het zwarte weggetje af naar links, naar de eierhal, een immense hal waar je eieren kon kopen. Het jaagpad ging verder over het spoor, met nog steeds rechts het kanaal. We kwamen langs een rommelige opslag, met puin, en schuurtjes. Daarachter lag het stationcomplex, met rustende treinen op dood spoor. En dan kwam het ‘vieze huisje’. Van buiten zag het er uit als een echt, maar verlaten, huis. Gele pluimen gulden roede en grijze alsem groeiden er tegen aan. Het lage dak begon net boven de grond. Over de breedte van de voorkant liep een trap naar beneden, naar een ruimte zo klein als een fietsenschuur. Het was er donker, vochtig en smerig, het rook er naar olie en urine. Het was er te vies en te griezelig om er echt te spelen. Waar het gebouwtje voor diende heb ik nooit geweten.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.

Verwante items