Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen Het kantoortje, de storm en het zusje
Gecontroleerd door redactie

Het kantoortje, de storm en het zusje

[1945-1980]
Afbeelding bij dit verhaal

Met de komst van het zusje veranderde alles. Ons huis was een bovenwoning met het nummer 46a. Het lag aan een klein plein, nee eigenlijk een verbrede straat: de Eerste en Tweede Hunzestraat kwamen er samen. Ons huis telde een voor- en achterkamer/ keuken en maar één kleine slaapkamer, kantoortje genoemd. Kantoortje? Ja. Waarom? Niemand weet dat. Als de deur van dat kantoortje dicht werd gedaan, resoneerden de klankstaven van de hangklok altijd. 'Kang!', zei broertje Pieter dat geluid na.

De afscheiding tussen voor- en achterkamer/ keuken bestond uit twee bedsteden. Die brak pappe weg: de achterkamer/ keuken werd er ruimer door. Een glas-in-lood raam verbond beide kamers nu visueel. Op het vensterbakje voor dat raam stonden mammes koperen miniatuurtjes: de stoof, de doofpot, de vijzel, de gong, het wijnvat, het rekje met gebroken kalkpijpjes, maar ook het groene Bambi-beeldje, nu met acht verlijmde breuken.

Op de zolder van ons huis was ondertussen een slaapkamer afgetimmerd. Waar sliepen de beide broertjes, Pieter en ik? De herinneringen daaraan zijn schaars. Op zekere avond kwamen mamme en pappe terug van een bezoekje aan de Singelweg. In het kantoortje had het die avond flink gestormd. In ons houten ledikant, ons schip, ging werkelijk geen zee te hoog voor Pieter en mij. Toen de golven en het natuurgeweld ons te heftig belaagden, vonden we het tijd worden ons te verschansen onder het dek, dekens mee, wisten we ons veilig, vielen we in slaap. De storm was gaan liggen, maar we werden wakker geschud en de averij werd hersteld. In het ledikant sliepen we verder.

Zonder bijzondere voortekenen bleek op een dag dat ledikant vervangen door een groter en nieuwer bed, van stevige buizen geconstrueerd, zeegroen gespoten. Dat bed stond niet in het kantoortje. Het stond in de slaapkamer op zolder, haaks op het bed van pappe en mamme. In het kantoortje was alles anders geworden, de zee had zich teruggetrokken. Er stond een ledikantje met heel hoge wanden: daar kreeg een storm nooit vat op. Er hing een stoffen hemeltje over gedrapeerd.­

Het was zomer geweest en begin september. Pieter en ik sliepen in het nieuwe bed. Geen kwaad weer dreigde. Er heerste een diepe rust. Niet vaak was de nacht zo intens. Rustige dromen bevestigden de oneindige kalmte om ons heen. Totdat het lichtje werd aangeknipt. Op het nachtkastje stond de wekker naast een glas water. Gekreun. Pappe kleedde zich haastig aan. Mamme: ' 't Komt goed. Slaap maar lekker door.' Wat gestommel. Het lichtje werd weer uitgeknipt. Een krakende trap. De zee was niet vlak meer.

De volgende dag. Ik kom van school. Pappe praat op straat met vrouw Mekkering. Zo met haar praten doet hij anders nooit. 'Hest n zusje kreegn', schettert ze, terwijl ze zich de handen vergenoegd afveegt aan haar schortje. Het is die dag 8 september 1953, ruim een half jaar na die vreselijke storm die de Nederlandse kusten van Zuid-Holland en Zeeland teisterde en 1835 slachtoffers vroeg. Geertje ter Harkel, ons zusje, wordt in het trouwboekje bijgeschreven.

De deur van het kantoortje doet zachtjes 'kang.'

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.

Verwante items