Wanneer je, zoals de meeste Groningers, elke dag je eigen afvalbergje produceert, dan is het prettig als tenminste eenmaal in de week iemand je rommel komt ophalen. Dat is wel zo hygiënisch, het ruimt lekker op en je kunt zelf ongehinderd doorgaan met de productie. Uit mijn allerjongste jaren herinner ik me nog vaag een zinken emmer met deksel met een inhoud van misschien wel veertig liter. Elke week sjouwde mijn vader deze van onze stadse flatwoning vijf trappen af naar beneden. Onze emmer stond dan samen met zijn broertjes en zusjes te wachten op de vuilnisauto. In die jaren was dat een grijze wagen, opgesierd met de aansporing ‘Houdt uw stad rein!’ Twee ongetwijfeld gespierde heren leegden hem hier geroutineerd in.
Toch functioneerde het systeem waarschijnlijk niet helemaal naar wens. Wellicht was het niet hygiënisch genoeg of waren de emmers na al die jaren toch te zwaar geworden voor de vuilnismannen. Hoe dan ook, op een gegeven moment moesten de Stadjers hun wekelijkse afval in een zwarte plasticzak aan de stoeprand zetten. Het voordeel was dat een zak stukken lichter was dan zo’n zinken emmer. Wel drukte de gemeente ons op het hart alleen stevige plasticzakken met een zogenaamd Komo-keurmerk te gebruiken. Anderen werden niet meegenomen, klonk het dreigend. Maar ja, zo’n plasticzak mag dan een keurmerk hebben, dat maakte hem nog niet bestand tegen Pietertje die er met z’n driewieler tegenaan rijdt, tegen Bello’s scherpe gebit of tegen de nagels van Minette. Alles wees erop dat het systeem nog niet geheel was uitontwikkeld.
Enkele jaren later bleek dat wel. De wijk Vinkhuizen waar wij inmiddels woonden werd namelijk uitgeroepen tot proefgebied voor vuilniszakken. Voortaan werden wij geacht niet één maar twéé vuilniszakken buiten te zetten, een gele en een blauwe. De ene, vraag me niet welke kleur, was bestemd voor ‘droog afval’, de andere voor ‘overig afval’. Als ik me niet vergis werden ze ook door twee verschillende vuilnisauto’s opgehaald. Die kwakten het afval daarna overigens vrolijk op een en dezelfde hoop. “We testen vooral de bereidheid van de mensen”, verklaarde een zegsman toen een en ander uitlekte. Nou, die was nadien niet zo groot meer.
Ook aan het zakkentijdperk kwam een einde. Wij kregen een minicontainer! “Het lijkt warempel wel een lijkkist”, mopperde een bovenbuurman. Daar had hij wel een punt. Als flatbewoner met kleine volle berging was het nog een heel probleem waar je dat zwartgrijze gevaarte moest laten. Daar bleef het overigens niet bij. Na de zwartgrijze volgde de groene container ten teken dat de afvalscheiding nu echt serieus werd aangepakt. Er was een klein groen emmertje bij om in de keuken alle schillen die deel uitmaakten van de beoogde lading te kunnen voorsorteren. In een vlaag van milieuenthousiasme schaften we kort daarop een compostvat aan. De groene container diende daardoor alleen nog voor de opslag van potgrond, bloempotten en kippengaas.
Korte tijd later ontvingen wij ook een vierkante rode bak om chemicaliën in te bewaren. Zal ik vermelden hoe vaak ik die bak daarvoor heb gebruikt? Beter van niet. Ik scheid tenslotte wel mooi de rest van mijn afval. Oud papier, glas en kleding gaan elk hun eigen weg. Inmiddels is ook de minicontainer alweer terrein aan het verliezen aan de ondergrondse vuilnisbak.
Wat zal er daarna weer komen? Tenslotte dachten we ook van al die andere systemen dat ze het ei van Columbus waren. Och, ze voldeden wel, de ene misschien wat beter dan de andere. Maar het ei van Columbus? Dát kan gewoon bij de compost.
