Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen IJs op de sloten, het Lindt en op de ijsbaan.
Gecontroleerd door redactie

IJs op de sloten, het Lindt en op de ijsbaan.

[1914-1940 ]
Afbeelding bij dit verhaal

Wat een feest als we konden schaatsen. Soms vroor het wekenlang dat het kraakte. Het ‘binnendaip’ was dan bevroren en vormde een mooie ijsbaan. Lange slierten kinderen en ouderen kon je op het ijs vinden. Mijn opa en vader waren timmerlieden en bij strenge vorst was er niet veel te doen. Mijn opa had zijn timmerbedrijf aan de Hoofdstraat in Aduard, maar de achterkant van het huis grensde aan het diep. Veel mensen kwamen langs om hun schaatsen te laten slijpen. Vader en opa hadden met het schaatsenslijpen een mooie bijverdienste in die karige tijd. Opa had een grote slijpsteen en oma bracht keteltjes heet water om dat over de steen te gooien. Hij trapte dan op het wiel, waarop de steen ging draaien. De vonken vlogen er soms af. ‘Het draad’ moest eerst van de schaatsen worden gereden voordat er weer normaal op geschaatst kon worden. Daarna waren de schaatsen zo scherp als een mes. Wat was het altijd gezellig bij opa en pa in de verwarmde werkplaats! Veel mensen kwamen strompelend, met de schaatsen nog onder, binnen. Vele gesprekken gingen over ijs, kou en elfstedentochten.

De betrouwbaarheid van het ijs op het Lindt en het Aduarderdiep kwam menigmaal ter sprake. Als dat ijs betrouwbaar was, werden er tochten gemaakt naar Leek. Hele hordes aanvaardden de barre tocht naar Leek. Soms nam men een stok mee; dat gaf steun als er meerderen aan die stok schaatsten. Vooral de jongeren die meegingen hadden er voordeel van. Mijn pa ging ook vaak op de schaats naar Leek. Daar aangekomen, kreeg hij een Leekstertak. Dat was een papieren gekleurde bloem. Die droeg hij vol trots op zijn revers. In Leek noemden ze dat een ‘liekeblom’. Na de schaatstocht ging men daar naar de kroeg en werden er heel wat warme grokjes en borreltjes genuttigd om weer warm te worden.

Ook op de ijsbaan was het een vrolijke boel. Ouderen zwierden elegant over het ijs; we noemden hen ‘schoonrijders’. Ze hadden een grote bonten want om de handen en pakten elkaars handen gekruist vast. Mijn tante Marie schaatste in een rok, zoals in die tijd de meeste vrouwen deden. Ze had er een warme ijstrui bij aan. Ze schaatste met mijn vader of met haar vriendin. We kregen altijd een rolletje drop of groentjes mee tegen de kou. Uren en uren waren we op de ijsbaan te vinden. Soms werd je geduwd door een jongen die je wel leuk vond en graag verkering met je wilde hebben. Iedere middag en avond waren we op het ijs te vinden. De houtjes werden onder gedaan en die koude ingevette leren veters aangesnoerd. Je handen werden blauw van de kou. Soms knapte er een veter; dat was pech. Die leren veters konden keihard zijn. Vrouw Doedens, de moeder van mijn vriendin Marjo, was ook vaak van de partij als het vroor. Zij was dinsdagsmiddags vrij, want dan was de winkel gesloten. We gingen dan samen met haar schaatsen. Ieder aan een kant, zo hielden we haar vast. Als mijn pa op het ijs was, riep ik hem dan toe: ‘Kiek es pa, ik ken al overstappen’. Geheid vloog je dan uit de bocht omdat je het te goed wilde doen om pluimpjes te krijgen. ‘Kiek mor uut’, zei hij dan, ‘straks hest de bott'n stukkend’. Ouderlijke zorg natuurlijk.

Sjouke Dijkstra kwam geregeld langs om de ijsvloer te verzorgen. Wij waren lid van de ijsvereniging en dan kon je op vertoon van zo'n kaartje gratis op het ijs komen. Ieder jaar was het weer een andere kleur, zodat je niet kon ‘smokkelen’ als je langs de controlepost moest. Ze waren wel streng. Vlakbij de ijsbaan was een kroeg. Steenhuizen was de kroegbaas, een aardige oude man. Een enkele keer gingen we met wat bekenden naar het café en kregen citroenkwast om wat warm te worden. Er brandde daar ook een potkacheltje waar velen omheen zaten. De borreltjes en cognacjes gingen gretig naar binnen bij de ouderen. Ook warme chocolademelk namen we dan om weer wat warm te worden.

Wat deden je voeten pijn als die schaatsen af moesten en je weer naar huis liep! Je ging dan gauw vlakbij de warme kachel zitten en, o, wat tintelden je tenen dan! Je moest soms huilen van de pijn. Het kon uren duren voordat je tenen weer een beetje normaal aanvoelden. Als je niet oppaste, kreeg je wintertenen en was je nog verder van huis. Mijn zusje Dineke kan erover meepraten, want bij haar was het ieder jaar geheid raak.

Ik had twee vriendinnen, Hilda en Marjo, en samen hadden we drie vrienden: Geert, Hayo en Kees. We hadden het altijd heel gezellig samen en waren veelvuldig op het ijs te vinden. De drie jongens kochten zich soms een fles sterretjes (anijs) jenever. Ze kochten die fles dan bij café Alt. Ze dronken samen uit een glaasje, of, als het glaasje stuk was, uit de dop van de fles. Lol dat ze dan hadden! Hun ouders mochten niet te weten komen dat ze jenever dronken, maar Geert wist wel raad. Hij verstopte de fles jenever in de dakgoot, achter zijn huis, dicht bij de ingang van de achterdeur. Daar was het wat lager gelegen en kon hij er zo bij. Goed in een krant gewikkeld natuurlijk. Geen mens die maar enig vermoeden had, dat daar een fles jenever verstopt was. Als we als meiden moesten oppassen bij deze en gene kwamen ‘de drie musketiers’ ook bij ons. Menigmaal werd de fles sterretjesjenever weer uit de dakgoot gehaald en werden er weer een paar neutjes ‘burgemeester’ gemaakt. Eens stonden wij met z'n zessen na catechisatie bij ons in het gangetje opzij van het huis te praten, toen mijn vader voorbij fietste en ons hoorde praten en lachen met elkaar. Toen riep hij lachend: ‘Het kon wel meertmoand wezen’. Grote hilariteit natuurlijk. Kwam zeker door de sterretjesjenever… Het was een leuke jeugd met veel mooie herinneringen.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.