Jonkheer mr. Johan Adriaan Feith was de derde Groningse archivaris met de familienaam Feith. Zijn grootvader Hendrik Octavius Feith was in het tweede kwart van de negentiende eeuw 'provinciaal archivarius', zijn vader, ook een H.O. Feith, was de eerste rijksarchivaris in de provincie Groningen. 'Jan Feith' studeerde rechten in Groningen en promoveerde op Het gericht van Selwerd in 1885. In hetzelfde jaar trouwde hij Henrietta Pauline Gockinga, met wie hij twee zoons en twee dochters kreeg. In 1887 werd hij benoemd tot commies-chartermeester van het Rijksarchief te Groningen waar hij in 1892 zijn vader opvolgde. Hij vervulde deze functie tot zijn plotselinge dood in 1913.
Voordat hij rijksarchivaris werd had hij zich al grote verdiensten verworven voor de Groninger cultuur. Hij was de drijvende kracht achter de oprichting van het 'Groningsch Museum van Oudheden' en de totstandkoming van het museumgebouw aan de Praediniussingel (voormalig Natuurhistorisch Museum). Jarenlang trok hij er zelf op uit om overal in stad en provincie de hand te leggen op voorwerpen voor het museum. Het museum werd ingericht op basis van zijn ideeën. Feith stimuleerde ook de jonge biologiestudent A.E. van Giffen op zijn weg naar de archeologie.
J.A. Feith nam ook het initiatief tot de uitgave van een historisch jaarboek: de bekende 'Groningsche Volksalmanak'. Het eerste boekje in deze reeks verscheen in 1889. Al eerder was er zo'n serie jaarboekjes geweest, maar die was in 1851 gestopt. De door Feith opgezette Volksalmanak hield het vol tot 1990.
J.A. Feith heeft een indrukwekkend aantal publicaties over de Groninger geschiedenis op zijn naam staan. Daarin richtte hij zich doelbewust ook tot de niet-vakmensen. Zijn 'Wandelingen door het oude Groningen' die in de Volksalmanak verschenen, zijn bij vele liefhebbers van de Groninger geschiedenis bekend. Maar ook als wetenschapper heeft hij zijn sporen verdiend, onder meer door zijn lidmaatschap van het Historisch Genootschap te Groningen en zijn medewerking aan de uitgave van oude bronnen (het 'Oorkondenboek van Groningen en Drente', 'De Kroniek van Abel Eppens tho Equart' en 'De kroniek van Sicke Benninge').
Veel minder bekend is dat J.A. Feith letterlijk wereldberoemd is geworden in kringen van archivarissen. Samen met zijn collega's S. Muller en R. Fruin schreef hij een handboek voor het ontsluiten van oude archieven dat in 1898 (te Groningen) verscheen en in vele talen is vertaald. Dat hij naast dit alles ook nog raadslid van Groningen en lid van Provinciale Staten was behoorde bij zijn persoonlijke status en die van zijn ambt.
J.A. Feith werd in 1890 eigenaar van het huis aan het Martinikerkhof zuidzijde, waar eerder jhr.mr. W.J. Quintus woonde en dat in het grijze verleden een van de 'pastoorswemen' (pastorieën) van de Sint Maartenskerk was geweest. In het 'Feithhuis' is nu een grand café gevestigd.
