Het geluk leek Noordoost-Groningen in de jaren vijftig toe te lachen: bij Winschoten werd een ondergrondse zoutvoorraad aangetroffen. Een haast onuitputtelijke hoeveelheid lag hier voor het grijpen. Een sodafabriek waar het zout kon worden verwerkt, zou het beste aan zee kunnen liggen. Niet alleen om vervuild afvalwater makkelijk in te kunnen lozen, maar ook om het eindproduct gemakkelijk te kunnen exporteren. Met de opening van de Nederlandse Soda Industrie (een voorloper van Akzo) begon in 1957 voor Delfzijl een droom van welvaart en vooruitgang.
De sodafabriek trok al snel andere industrieën en bedrijven aan. Na de vondst van aardgas bij Slochteren in 1959, raakte de industrialisering van Delfzijl pas echt in een stroomversnelling. Planologen voorzagen in die tijd dat Delfzijl en Appingedam zouden samensmelten tot een 'Eemsmondmetropool’, waar tegen het jaar 2000 wel honderdduizend mensen woonden.
Vooruitlopend op de verwachte sterke economische groei werd er driftig gebouwd. Maar ook gesloopt: de dorpen Heveskes, Weiwerd en Oterdum werden in de jaren zestig en zeventig bijna helemaal weggevaagd om plaats te maken voor industrie.
Maar deze bedrijventerreinen bleven erg leeg. De oliecrisis van 1973 zorgde voor een eerste scheur in het ongebreidelde optimisme. Ook daarna bleef het tobben. Zeker voor het enige overgebleven gebouw van Heveskes: het middeleeuwse kerkje. Het wacht sinds de restauratie al tien jaar op een passende nieuwe bestemming.
