Van 16 tot 19 oktober vond bij Leipzig de Volkerenslag plaats. Napoleon werd uiteindelijk gevangen genomen en naar Elba verbannen. Zijn tegenstanders, waaronder Kozakken, bevrijdden de bezette gebieden van de Fransen.
Op 12 november 1813 verschenen de eerste Kozakken voor de Herepoort te Groningen. Kolonel Marcus Busch was toen commandant van de burgerwacht. Op zijn bevel werd de poort geopend voor de Kozakken. Noord-Nederland was verder nog niet bevrijd van de Franse troepen. De vestingen Delfzijl en Coevorden beschikten nog over een sterke Franse bezetting. Vanuit Delfzijl vonden er in de omgeving plunderingen plaats. Dit moest worden verhinderd.
Op 28 november 1813 vertrok kolonel Busch met 300 manschappen van de Nationale garde en vier kanonnen naar Appingedam om samen met de 75 daar gelegerde Kozakken de Franse roverijen tegen te gaan. Langzamerhand kwam er meer versterking. Medio december beschikte Busch over een leger van ongeveer 4000 man. De manschappen waren slecht gekleed en bewapend. In het koude en natte jaargetij werd over de slechte voorzieningen geklaagd. Busch nam die klachten serieus, en liet zonder formele toestemming overjassen voor de manschappen vervaardigen. Zijn reputatie bij de manschappen steeg daardoor, maar het eigenmachtig handelen werd door zijn superieuren niet in dank afgenomen.
In februari 1814 volgde nog een aanvaring met de provinciaal militair commandant, generaal Otto, graaf van Limburg Stirum. Kolonel Busch moest in zijn opdracht een brief bij de Franse commandant van Delfzijl laten bezorgen. De hoofdofficieren te Appingedam waren het echter met de inhoud van de brief niet eens en spraken af, dat Busch de brief niet zou laten overbrengen. Hij werd vervolgens wegens dienstweigering in arrest gesteld en het commando over de troepen werd aan een ander overgedragen.
Op 4 maart 1814 bracht Koning Willem I een bezoek aan Appingedam en inspecteerde ook de stellingen van de blokkadetroepen om Delfzijl. Hij kreeg te horen dat de chaos en onvrede bij de troepen toenamen. Gedragingen zoals insubordinatie en desertie waren geen uitzondering. De koning kreeg de raad om kolonel Busch in zijn oude functie te herbenoemen. De koning nam dat advies over en op de zelfde dag kwam hij in zijn oude functie terug.
Nadat het Franse garnizoen de vesting Delfzijl had verlaten, werd kolonel Busch voor zijn inzet tijdens het beleg van Delfzijl op 8 juli 1815 bij Koninklijk Besluit no 16 begiftigd met het Ridderkruis van de Militaire Willemsorde 3e klasse. Hij was de enige schutterijofficier aan wie deze hoge onderscheiding werd verleend.
Op 6 mei 1828 werd kolonel Busch bij Koninklijk Besluit benoemd tot kolonel der Groninger dienstdoende schutterij; in vredestijd een deeltijdbaan.
In augustus 1830 brak de Belgische opstand uit. In oktober 1830 werden de dienstdoende schutterijen mobiel verklaard. Het eerste bataljon van de dienstdoende schutterij zou zo spoedig mogelijk, en wel op 28 oktober naar Nijmegen te vertrekken. De manschappen beschikten echter over onvoldoende kleding en uitrusting. De geschiedenis van het beleg van Delfzijl in 1814 dreigde zich te herhalen.
Op 11 november 1830 vertrok het Eerste bataljon van de Groninger dienstdoende schutterij naar Nijmegen en op 11 maart 1831 vertrok het Tweede bataljon naar Heusden. Beide bataljons behoorden tot de Eerste afdeling Groninger schutterij onder commando van kolonel Marcus Busch.
In allerlei plaatsen in het Zuiden werden militairen gelegerd. De voorbereiding op een eventuele inval in België was in volle gang.
Marcus Busch had kennelijk een goede reputatie, want in juni 1831 werd hij aangesteld als commandant van de Tweede Brigade van de Reservedivisie onder commando van Generaal Cort-Heijligers. Een hoogst ongebruikelijke benoeming, want zo'n functie werd gewoonlijk uitgeoefend door een beroepsofficier met de rang van brigadegeneraal. Hij is dan ook de enige officier van de schutterij geweest, aan wie zo'n functie werd toevertrouwd. De Tweede brigade bestond uit vier bataljons schutterij, namelijk 1 Gronings, 2 Friese en 1 Zuid-Hollands bataljon, ongeveer 2500 man.
Op 6 augustus 1831, omstreeks het middaguur werd de Tweede brigade ingezet bij het gevecht in Houthalen. Het Groningsbataljon telde daarbij 4 gesneuvelden. Hun namen staan vermeld op een monument op de Zuiderbegraafplaats te Groningen.
Na de gedwongen beëindiging van de Tiendaagse Veldtocht bleef onder andere de Tweede brigade tot september 1834 nog in het Zuiden gelegerd. Daarna werden de schutterijen gedemobiliseerd en gingen de manschappen naar huis. Busch werd weer parttime kolonel der dienstdoende schutterij. Bij Koninklijk Besluit van 24 mei 1838, no 9 werd hij eervol ontslagen.
