De eerste bewoners van de Groningse gebieden waren afhankelijk van wat land en water konden bieden. Voedsel zoeken, onderdak verzorgen en kleding maken, waren de belangrijkste dagbestedingen. Geleidelijk aan gingen deze rondtrekkende jagers en verzamelaars hun omgeving bewust beïnvloeden en naar hun hand zetten. Dankzij archeologische vondsten hebben wetenschappers het leven van de eerst inwoners van het tegenwoordige Groningse grondgebied deels kunnen reconstrueren. Er zijn nu eenmaal geen andere bronnen beschikbaar uit de prehistorie, de periode voor het begin van de geschiedschrijving. We moeten het doen met bewaard gebleven sporen, zoals (gebruiks)voorwerpen en markeringen in het landschap. De eerste sporen van menselijke bewoning op het grondgebied van de huidige provincie Groningen stammen uit de periode tussen 12.700 en 7100 voor het begin van onze tijdrekening. In het gebied dat wij nu Nederland noemen, woonden toen ongeveer 500 mensen. Zij leefden in kleine jachtgroepen en trokken door het landschap achter de wilde dieren aan.
Ongeveer 9100 jaar geleden gingen de toenmalige bewoners hun dieet geleidelijk uitbreiden. Naast jagen gingen ze ook vissen en voedsel verzamelen. Naast kleine zoogdieren en vissen aten de bewoners vruchten, noten en wortels. Ze maakten nog steeds vuurstenen werktuigen. Ook probeerden de bewoners in deze tijd het voedsel te bewerken om zo de houdbaarheid te verlengen. Terwijl hun voorouders nog met de jachtbuit meetrokken, beperkten de stammen in deze periode hun jachtkampen tot een vast gebied. Een dergelijk exploitatiegebied waarin groepen mensen van onderkomen naar onderkomen trokken is bijvoorbeeld het gebied van de huidige Groninger veenkoloniën. Toen was dat een uitgestrekt zandlandschap. Pas later groeide er veen.
De decennia verstreken en opnieuw veranderde het natuurlijk milieu. Waarschijnlijk bleven de stammen uit deze tijd langer op één plek en vond de seizoenstrek plaats in een kleiner gebied dan in de voorliggende periode. Bijzonder is dat van deze bewoners herkenbare graven zijn gevonden. De doden zaten gehurkt in een kuil in de grond en hadden grafgiften meegekregen. De vuurstenen bijlen waren in deze periode nog klein en ruw, wat wijst op een doelmatig gebruik. Ongeveer 7100 jaar geleden kwam een proces opgang dat nu bekend staat als de neolithisering. De rondtrekkende stammen die jaagden en verzamelden en hun voedsel vrijwel direct consumeerden, vestigden zich steeds langer op één plaats. Hier experimenteerden zij met het verbouwen van voedsel en het houden van dieren. Beide levensvormen hebben lange tijd naast elkaar bestaan. Eén van de mogelijke oorzaken van de neolithisering ligt vermoedelijk opnieuw in klimaatverandering. De toegenomen plaatsgebondenheid en het produceren van voedsel vereisten technische vernieuwingen en een betere planning. Uit deze periode zijn attributen gevonden die passen bij een agrarische of semi-agrarische samenleving. De eerste landbouwers in de noordelijke gebieden hadden een half-neolithische leefwijze. Zij gebruikten sommige bijlen als offermateriaal.
Uit deze eerste semi-boeren ontstonden de hunebedbouwers. Zij leefden vanaf ongeveer 5000 jaar geleden. Behalve de bouwers van grafmonumenten waren deze bewoners ook grote ontginners. Ze kapten bomen om ruimte te maken voor akkers en hunebedden. Hoewel de provincie Drenthe bekend staat om haar hunebedden zijn er in Groningen ook zes gevonden. Behalve in hunebedden werden de doden in deze periode ook begraven in individuele kuilen, zonder herkenbare markering. Uit deze tijd zijn veel offerplaatsen gevonden waar grote slanke bijlen werden geofferd als territoriummarkers. De offerplaatsen waren meestal rond vennetjes, zogenoemde pingoruïnen, of andere natte plekken. De hunebedbouwers hadden zich nog steeds niet definitief op één plaats gevestigd. In eerste instantie trokken zij rond binnen een beperkt gebied op een droge bodem. Later waren ze vooral te vinden bij beekdalen.
De hunebedbouwers werden opgevolgd door culturen die zich van elkaar en van hun voorgangers onderscheidden door hun decoratieve aardewerkstijlen en door hun omgang met de doden. Maar de voornaamste veranderingen vonden in deze periode plaats in de landbouw. De ploeg werd intensiever gebruikt en er werd bos gekapt voor de schapenteelt. Mannen hielden zich voornamelijk bezig met de veeteelt, terwijl vrouwen zich toelegden op de landbouw. Deze man-vrouw verdeling leidde tot het uiteenvallen van de stamverbanden in afzonderlijke families. De grafcultuur werd individueler, wat een aanwijzing is voor een toegenomen sociale gelaagdheid. Ongeveer 3800 jaar geleden begonnen de toenmalige bewoners brons te bewerken. Uit deze periode zijn veel bronzen bijlen gevonden, maar de Bronstijd wordt in de Groningse gebieden gemarkeerd door het ontstaan van nieuwe boerderijplattegronden. Waarschijnlijk werden de boerderijen groter, om het vee te kunnen stallen. Daarnaast hanteerde men in deze periode een nieuw grafritueel. De doden werden nu uitsluitend gecremeerd. Hun as werd in urnenvelden begraven. Iedere dode kreeg een individueel graf. Urnenvelden zijn ondermeer gevonden in Haren en Westerwolde.
Ongeveer 2800 jaar geleden werd het klimaat koeler en vochtiger waardoor veenvorming toenam. De bewoonbare zandgebieden krompen. Hierdoor raakten veel woongebieden geïsoleerd. Het woongedeelte en het stalgedeelte van boerderijen werden nu gescheiden. Iedere boerderij had een eigen blokje akkers en iedere akker was individueel omheind. Terwijl het veen zich uitbreidde, ontwikkelden de kwelders zich tot ideale weidegrond. Overblijfselen van een vroege kweldernederzetting van ongeveer 2600 jaar oud zijn teruggevonden in Middelstum. De eerste wierden ontstonden pas rond 400 voor het begin van onze tijdrekening. Soms begon een wierde onbewust door ophoping van afval, vaker werd er gelijk een podium opgeworpen om te wonen. Door het gebrek aan bewoonbare zandgronden werden de bewoners uit deze tijdsperiode min of meer gedwongen zich permanent op één plek te vestigen. Het getij vormde nog geen echte bedreiging en als de wierde de bewoners bescherming bood tegen het water, was dit meer toeval dan planning. Er waren in deze tijd ook nog steeds vlaknederzettingen.
