Nog altijd staat het oosten van de provincie Groningen bekend om haar verleden als ‘graanrepubliek’. Wie door het landschap rond plaatsen als Beerta rijdt, ziet regelmatig grote boerderijen met even grote woonhuizen tussen statige bomen en op flinke lappen grond. De rijkdom waaruit deze statussymbolen voortkwamen, bestaat niet meer maar de glorie van de inmiddels vervlogen rijkdom in dit gebied blijft in deze bebouwing goed zichtbaar. De bloeitijd van de Groningse landbouw en landbouwindustrie begon eind achttiende eeuw en culmineerde in een relatief kort maar hevig hoogtepunt rond het midden van de negentiende eeuw. Tot 1750 was het voor boeren op het Groningse platteland een moeizame tijd. Daarna ging het beter en vanaf 1790 ging het zelfs heel goed doordat de prijzen van agrarische producten flink stegen.
De meeste Groningse boeren hadden een gemengd bedrijf met zowel veeteelt als akkerbouw. Dit was handig en vaak noodzakelijk omdat het mest van de dieren werd gebruikt voor het vruchtbaar maken van landbouwgrond. Omdat de prijzen van landbouwproducten stegen, werd het voor veel boeren aantrekkelijker om zich meer te concentreren op de akkerbouw. De veepest zal hierbij ook een rol hebben gespeeld. Omdat boeren na 1790 veel geld konden verdienen in de akkerbouw, werden zij steeds rijker. Vooral de grote boeren uit de kleistreken langs de kust profiteerden van deze bloeiperiode. Boerderijen ontwikkelden zich in deze tijd tot volwaardige bedrijven. Door een bedrijfsmatige aanpak kreeg de boer zelf meer vrije tijd. Arbeiders (en later ook machines) deden het meeste werk. Hierdoor kon de boer zichzelf ontwikkelen op het gebied van onderwijs, cultuur, religie en politiek. Een gevolg was wel dat de boer en zijn arbeiders verder uit elkaar groeiden en langzaam twee groepen gingen vormen die elkaar steeds minder begrepen.
Toen de patriotten aan de macht waren, hadden de Groningse boeren meer politieke invloed verworven. Na de oprichting van het zelfstandige koninkrijk verloren zij deze invloed grotendeels, maar niet geheel. De behoefte om hun invloed uit te breiden bleef bestaan en laaide flink op na 1817. Een daling van de graanprijzen stortte de boeren toen in een crisis die de economische ontwikkelingen tijdelijk afremde. In de jaren 1820-1850 begonnen de boeren zich politiek te organiseren tegen het beleid van Willem I en uit verlangen naar politieke emancipatie. Ook op cultureel en maatschappelijk gebied hadden de boeren ondertussen een ontwikkeling doorgemaakt. Zo namen ze bijvoorbeeld actief deel aan activiteiten van de Nutsdepartementen , werden ze lid van leesgezelschappen en leerden ze discussiëren en spreken in het openbaar. Zowel het verlangen naar politieke inspraak als de interesse voor cultuur en maatschappij waren overblijfselen van de Verlichting.
Ook in de bedrijfsvoering was deze invloed terug te zien. De boeren legden nadruk op orde en ratio en waren veranderingsgezind. Vanuit de Groningse universiteit werden de boeren gesteund in hun ontwikkeling. Er werd geëxperimenteerd met het inenten van vee en er kwamen nieuwe vakken, zoals landbouwchemie en landhuishoudkunde. Zonen van rijke boeren kregen nu namelijk ook de kans om te studeren. Daarnaast leidde de academie artsen en predikanten op die een belangrijke rol als volksopvoeder vervulden op het platteland. Tot 1830 heerste op de universiteit een overwegend liberaal klimaat, waarin deze ontwikkelingen mogelijk waren. Onder invloed van predikanten die hun oude verlichtingsidealen na 1813 op een a-politieke manier voortzetten door een rol als volksopvoeder aan te nemen, kregen de boeren vrijzinnige opvattingen op religieus gebied. In de jaren 1830, toen het economische herstel had ingezet, begonnen de orthodox calvinisten zich te verzetten tegen het vrijzinnig protestantisme van de boeren. Dit leidde in 1834 tot de Afscheiding . In de jaren 1848-1878 was de welvaart onder de boeren op een hoogtepunt (de zogenoemde ‘champagnejaren’). De rijkdom werd zichtbaar in enorme en weelderige woonhuizen en de aanleg van siertuinen. Ook in de veenkoloniën nam de welvaart in deze periode enorm toe. In 1850 was de turfvaart op haar hoogtepunt.
Tien jaar eerder was de eerste aardappelmeelfabriek geopend in Muntendam. De bekende industrieel W.A. Scholten begon twee jaar later met eenzelfde soort fabriek in Foxhol aan de opbouw van zijn latere imperium. Behalve aardappelmeel was de productie van strokarton erg lucratief in de provincie Groningen. Samen vormden deze productieprocessen het hart van de nieuwe landbouwindustrie. Later werden ook staal en textiel geproduceerd. Het vervoer van grondstoffen en producten vond plaats over de vele waterwegen in de provincie. Fabrikanten en boeren speelden het spel hard. Beide partijen richtten coöperaties op om hun eigen belangen te verdedigen. Tussen 1878 en 1895 raakte de landbouwindustrie in een crisis. De crisis en de toenemende mechanisatie leidden tot lagere lonen. Fabrikanten en boeren konden minder arbeiders gebruiken en betalen. Deze ontwikkeling veroorzaakte sociale spanningen die zich uitten in wilde stakingen. Na 1880 gingen de eerste landarbeiders zich organiseren. Daarna hield de onrust aan. Het verzet van de ‘slecht betaalde onderklasse’ van landarbeiders tegen de ‘goedverdienende’ boeren en fabrikanten gaf Groningen het imago van een ‘rode’ (socialistische) provincie.
