De in Stadskanaal geboren Cornelis Dopper (7 februari 1870) gaf van jongs af aan blijk van een bijzondere muzikale begaafdheid. Op aanraden van schoolmeester Jager volgde hij pianoles bij J.B. Kolkman. Als 18 jarige werd hij toegelaten tot het Conservatorium van Leipzig, waar hij ongeveer anderhalfjaar doorbracht en o.a. lessen bij Carl Reinecke volgde.
Na zijn studie vestigde hij zich, na een korte periode in Hoogezand, in de stad Groningen. Hier schreef hij in 1892 zijn eerste opera. Twee jaar na de première van zijn eerste opera De blinde van Castel Cuillé trad hij in dienst van de Nederlandse Opera te Amsterdam, waar hij werkzaam was als violist, repetitor en dirigent. In 1895 presenteerde hij zijn tweede opera Frithjof. Zijn derde opera (William Ratcliff) voltooide hij in 1901. Op 19 september 1909 beleefde deze opera onder leiding van dirigent Peter Raabe in het Hoftheater te Weimar zijn wereldpremière.
In de jaren 1904-1905, na het faillissement van de Nederlandse Opera, werkte hij als freelance journalist en muziekrecensent voor De Echo en Het Leven. Van 1906 tot 1908 was hij verbonden aan de Savage Opera Company, een rondreizend operagezelschap, waarmee hij tournees maakte door de Verenigde Staten, Canada en Mexico. Met dit gezelschap introduceerde hij de opera Madame Butterfly van Puccini in Amerika, delen van Canada en Mexico.
In 1908 werd Dopper aangesteld als tweede dirigent van het Concertgebouworkest onder Willem Mengelberg. Hij bleef er werkzaam tot zijn pensionering in 1931. Wegens zijn grote verdiensten prijkt Doppers naam tot op de dag van vandaag op de balustrade van het balkon in het concertgebouw tussen de groten van zijn tijd. Op 8 november voerde Richard Strauss Doppers zesde symfonie, de Amsterdamse symfonie, uit in Berlijn terwijl de kogels van de Duitse revolutie door de straten vlogen.
Cornelis Dopper heeft meer dan honderd composities op zijn naam staan, waarvan slechts enkele in druk zijn verschenen. Wegens zijn liefde voor het Nederlandse volkslied, de Nederlandse cultuur en het Nederlandse landschap is hij wel de meest 'Hollandse' van de 'Hollandse' componisten genoemd. De titels van zijn symfonieën getuigen daarvan: 'Rembrandt' symfonie, 'Amsterdamse' symfonie, 'Zuiderzee' symfonie.
Behalve zeven symfonieën schreef Dopper vele andere orkestwerken. Daarvan is de Ciaconna gotica het meest beroemd geworden. Dit werk is in alle grote concertzalen van de wereld uitgevoerd onder beroemde dirigenten. Het werd ook in druk uitgegeven en wordt ook nu nog wel regelmatig gespeeld. Enkele jaren voor zijn dood componeerde hij een Requiem. Hierover was weinig bekend totdat in januari 2008 Joop Stam de partituren in Den Haag terug vond.
Naast composities voor orkest en vier opera's schreef Dopper ook kamermuziek, waaronder een Strijkkwartet, een Vioolsonate en een Sextet voor blazers en piano. Doppers belangstelling voor de muzikale vorming van de jeugd vormde de aanleiding tot het schrijven van een groot aantal composities voor kinderkoor, zoals De wilgen, De zeven boeven, Tom en Tim, werkjes, die in zijn tijd razend populair waren. Dopper introduceerde in 1923 de jeugdconcerten.
Hij overleed op 18 september 1939 te Amsterdam.
Van 12 september 2009 tot en met 7 februari 2010 (verschillende data/ locaties) vindt het Dopper festival plaats georganiseerd door de Stichting ter herdenking van Doppers 70ste sterfdag. In het Veenkoloniaal Museum te Veendam is de expositie Cornelis Dopper, componist tussen Mahler en Mengelberg te bezichtigen in de periode 18 september 2009 - 7 februari 2010.
