Het Witte Nonnenpad is inmiddels een begrip in Marum en omstreken. De in 2004 uitgezette wandelroute begint in het lijkenhuisje bij het oude kerkje aan de rand van het dorp en leidt de voetgangers door het omliggende natuur- en cultuurlandschap. Het thema van de route is losjes opgehangen aan de verboden liefde tussen een non en een Spaanse soldaat. Het is fictie, maar een dergelijke romance zou er wel geweest kúnnen zijn, want een klooster heeft er bij Marum zeker gestaan en ten tijde van de 80-jarige oorlog (1568-1648) had dit contact met Spaanse militairen. Het bestaan van het convent liep toen al op z’n eind.
Het klooster van de drie bergen
Eeuwen lang hadden hier vele generaties nonnen geleefd. Over hen is niet veel bekend, slechts flarden geschiedenis vertellen hun verhaal. In ieder geval hebben ze het niet makkelijk gehad. Eind 12e of begin 13e eeuw werd het klooster gesticht ten noordwesten van het armoedige nederzettinkje Marum. De plek heette Tribus Montibus: Latijn voor ‘Driebergen’, zo genoemd naar drie lage glooiingen die het landschap daar markeerden.
In de volksmond werd het Trimunt. Een volstrekt achtergebleven gebied, praktisch onbereikbaar. Een schrale wind dwaalde er, over droge zandgronden, kale heidevelden en levensgevaarlijk moerasgebied. Een enkel bos brak de eentonigheid van het ruige land, waar wolven voorkwamen.
Zelfopoffering
Wat bezielde de vrouwen om juist hier te willen leven? Tegenwoordig heet dit ‘uitdaging’; het expres aangaan van moeilijke omstandigheden, om die te bedwingen en daarmee jezelf te overwinnen. Kloosterlingen deden dit vaker: zich vestigen in de meest ontoegankelijke streken, om zo aan God te laten zien dat ze werkelijk iets voor Hem over hadden en zich opofferden op deze wereld in een leven dat volledig ten dienste zou staan van Hem. Men cijferde zichzelf en de eigen – menselijke – behoeften weg om daar niet meer door te worden afgeleid en zich alleen op geestelijke zaken te kunnen richten.
In hun zwarte habijten verdienden de nonnen de zeer karige kost door het houden van schapen en het spinnen van wol, maar ook met het ontginnen van het veen: zwaar mannenwerk is daar door vrouwen verricht, vat een historicus samen. Het hielp allemaal niet zo veel en begin 14e eeuw dreigde het klooster ten onder te gaan aan honger en armoede. De op afstand gelegen abdij van Aduard redde, door Trimunt vanaf dat moment onder haar hoede te nemen. De Benedictijnse orde – de regels volgens welke een groep kloosterlingen samenleefde – werd vervangen door die van de Cisterciënzers, gesymboliseerd door nieuwe, witte habijten. Het ging nu iets beter: de kloosterbezittingen werden af en toe uitgebreid door landerijen in de omgeving op te kopen, tot in Kollumerland aan toe. Men boekte enig succes in de strijd tegen het water, dat soms tot in deze streken oprukte. Toch bleef Trimunt altijd behoeftig en klein – misschien was het groepje nonnen dat er woonde nooit groter dan zo’n tien personen.
Zedelijk verval
Over hoe het precies toeging in het klooster is niets overgeleverd. Volgens sommige onderzoekers zette al heel snel zedelijk verval in, men hield zich niet meer aan de regel van kuisheid waartoe een kloosterling gehouden was. “Het van binnen uit groeiende kwaad van de immoraliteit” woekerde op, men leefde in “ongeoorloofde verkering” op “losbandige wijze” vol van “vurige driften”. Ondubbelzinnig geformuleerd: “lesbische praktijken vierden hoogtij”. Feit is dat in 1559, toen het opnieuw tot armoe vervallen convent zou worden samengevoegd met dat van Assen, de meeste nonnen weigerden uit Trimunt te vertrekken. Dit ondanks dat de kwestie – en dat vinden we nu best opmerkelijk - op zeer hoog niveau was aangekaart: zowel de paus, in het verre Rome, als de Spaanse koning Filips de 2e hadden de beoogde overplaatsing goedgekeurd. De reden voor de recalcitrantie tegen zowel het allerhoogste kerkelijke als wereldlijke gezag is onbekend. Maar een van de historici meent het te weten: de zondige nonnen “verkozen de eenzaamheid om hun pikante avonturen te kunnen voortzetten”.
Hoe dit te duiden? We weten het niet. Het zou kunnen. Als ‘bruid van Christus’ moest een non zich onthouden van lichamelijke liefde en mocht alleen voor Hem beschikbaar zijn. Maar: eenzaam levend in het afgelegen huis op Trimunt, waar vaak überhaupt geen man kwam (behalve misschien heel soms een strenge monnik uit het rechtlijnige Aduard), hebben de nonnen Zijn aanwezigheid misschien niet altijd gemerkt en vonden ze alleen elkaar. Kortom: misschien trokken ze het niet meer en bleek ook voor hen het lichaam sterker dan de geest.
Levendige fantasie?
Aan de andere kant: er is geen enkel bewijs dat de nonnen in zonde leefden. Terecht wordt opgemerkt dat sommige geschiedschrijvers waarschijnlijk gewoon een levendige fantasie hadden. Dag in dag uit gebogen over oude boeken in stoffige archieven en ineens stuiten op een verhaal over een afgezonderd wonende groep vrouwen zonder mannen: dan willen de gedachten wel ’s een vrije loop nemen.
Hoe het ook geweest is, eind 16e eeuw maakte de 80-jarige oorlog een einde aan alles: Watergeuzen vernietigden de kloostergebouwen. Van de stenen werden twee boerderijen gebouwd die er gedeeltelijk nog altijd staan. De overgebleven waterput bleek geneeskrachtig water te bevatten, deze ‘bagijneput’ (een bagijn is een soort non) zou later een klein bedevaartsoord worden, voordat ze werd gedempt (toen er een koe in was verdronken). De oude kloostergracht is nog steeds te zien.
En de nonnen, die hier honderden jaren lang hebben geleefd, in innige verhouding tot God – of tot elkaar? Hun beenderen werden tot in de 19e eeuw op de oude begraafplaats van hun klooster aangetroffen.
