Martinikerk en -toren: al vele eeuwen een icoon van de stad Groningen
[800-1594, 1594-1795, 1980-nu]De Martinikerk is al ruim zeven eeuwen oud, maar hij heeft er natuurlijk niet al die eeuwen zo uitgezien als nu. De huidige aanblik van de kerk is het resultaat van vele verbouwingen en restauraties.
Rond het jaar 800 stond er op deze plek alleen nog maar een klein houten kerkje, omgeven door een grafveld. Rond het jaar 1000 werd iets verderop een grotere houten kerk gebouwd. Als we de Vita Sancti Walfridi, het levensverhaal van de heilige Walfridus van Bedum, mogen geloven werd deze tweede kerk verwoest door de Vikingen. Uit opgravingen weten we dat de kerk vervolgens werd herbouwd in tufsteen. Hoe deze eerste kerken eruit hebben gezien, weten we niet.
De romano-gotische Maartenskerk
De eerste afbeelding van de Martinikerk is op het stadszegel, dat waarschijnlijk in 1245 in gebruik is genomen. Hierop is de opvolger van het tufstenenkerkje te zien: een grote bakstenen kruisbasiliek, in de voor Noord-Nederland zo typerende romano-gotische bouwstijl. Het is opvallend hoe gedetailleerd de afbeelding op het stadszegel is. Dit is geen symbolische afbeelding van een kerk, dit is een heus portret van de Martini. Kijk bijvoorbeeld eens naar de vijflobbige ramen in het middenschip. Die heeft de maker van de zegelstempel niet verzonnen. Ze zijn er echt geweest, want restanten van die ramen zijn nu nog zichtbaar binnen in de kerk.
Deze 13e-eeuwse kerk was een stuk kleiner dan de huidige kerk. Inclusief het koor was hij ongeveer 37 bij 10 meter, en de hoogte van de toren wordt geschat op zo’n 30 meter. De toren stond oorspronkelijk los tegen de buitenkant van de kerk aan, maar later werden de zijbeuken van de kerk doorgetrokken, zodat de toren als het ware in de kerk kwam te staan.
Grootschalige verbouwingen
In de 15e eeuw werd de kerk uitgebreid verbouwd. Eerst kwam er een nieuw koor. Geheel volgens de toen modieuze gotisch stijl kreeg het hoge ramen om zoveel mogelijk licht binnen te laten. Het nieuwe koor was 24 meter lang en 9 meter breed. De hoogte van het nieuwe koor was van de vloer tot de top van het gewelf 25 meter en de nok van het dak lag zelfs op 34 meter.
Bij een nieuw koor hoorde natuurlijk ook een nieuw middenschip. Hiervoor koos men de vorm van een hallenkerk. Er kwamen nieuwe zijschepen die even breed en hoog waren als het oude middenschip en de oude dwarsbeuk, zodat het geheel één grote hal vormde. Ook de toren werd verbouwd. Maar de Martinikerk heeft slechts een jaar in deze vorm bestaan, want op de dinsdag voor Pasen in 1465 sloeg de bliksem erin. Er brak brand uit in de toren en de bliksem sloeg de stenen uit de muur van de kerk. Een paar jaar later storte de toren zelfs helemaal in. In de kroniek van Johan van Lemego (die is opgenomen in de kroniek van Sicke Benninge) kunnen we lezen wat er gebeurde:
Wo sunte Mertenstoerne vel.
Item int jaer MCCCC ende LXVIII was sunte Johannes Baptista up een Ffreydach ende daerna up den Sondach des nachtes omtrent twe uren des morgens stortede neder sunte Mertenstoeren ende daervan vellen mede vijff nije koppen der wulfften in dat westerende der kerck, dat omme den toeren getijmmert was, so vorg[escroven] is ende daer wort niemant van gequetset, men dat naeste hues an dat kerckhoff was boven en weynich ingevallen ende de grote klocken sijnt de oeren ingevallen ende de kleynen bleven heel. (De Kroniek van Sicke Benninge. 1e en 2e deel (Kroniek van van Lemego). Editie Feith 1887, p. 144.)
De Martinitoren zoals wij hem kennen
Natuurlijk moest er snel een nieuwe toren komen. Omdat de val van de toren veel schade had aangericht, besloot men dat het veiliger zou zijn om de nieuwbouw niet weer in de kerk te bouwen, maar er los tegen aan. De plek waar de oude toren had gestaan, werd bij het schip getrokken. De bouwwerkzaamheden begonnen in het voorjaar van 1469 en hebben waarschijnlijk tot in 1554 geduurd. Volgens de overlevering was de nieuwe toren meer dan honderd meter hoog. Op de stadsplattegrond van Braun en Hogenberg (omstreeks 1575) staat een mooie afbeelding van die toren.
Maar in 1577 sloeg het noodlot opnieuw toe. Dit maal door toedoen van de stadjers zelf. Kroniekschrijver Abel Eppens vertelt dat men om de terugtrekking van het Waalse garnizoen uit de stad te vieren brandende pektonnen aan de toren had gebonden:
[…] die heele stadt sick ganslicken in blijtscap jae dronckenscap und idelheit overgevende, hefft soe allenthalven ock also up Sunte Mertenstoeren dat vuer myt pyckvaten tot een triump uthgesteken, dat umtrent 10, 11 uren die ganse toeren uthgebrandet ys worden. Daer 17 klocken uthgevallen syndt und sommygen luyden doet gebleven bynnen. (Abel Eppens tho Equart, Der Vresen Chronicon. Editie Feith & Brugmans 1911, dl 1., p. 240.)
Hoewel de toren dus afbrandde, was de schade aan de kerk zelf minder groot. En dat was maar goed ook, want het duurde nog jaren voordat de stad financieel en politiek weer zo stabiel was dat de toren hersteld kon worden. Die herbouw begon uiteindelijk in 1627, maar de toren werd nooit meer zo hoog als hij was geweest. De totale hoogte is sindsdien 97 meter.
Meer lezen over Martinikerk en -toren?
E.O. van der Werff, Martini: kerk en toren. Assen, 2003.
W. Westra, Martinitoren. Groningen, 2009.
