Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home > Verhalen > Melkloop
Afbeelding bij dit verhaal

In Nederland bestonden begin vorige eeuw veel kleine veeboeren in de nabijheid van steden. De melk van hun koeien verkochten zij aan de stedelingen. Dit verhaal gaat over Roelf Bierling die koeien hield op zijn boerderij aan de Rademarkt en tevens een melkloop runde. De herinnering is aangevuld met en, onder meer, gebaseerd op brieven van de familie Bierling.

Hindrik Bierling, de vader van Roelf Bierling, hield koeien en had twee melklopen. Zelf hield hij zich bezig met het vee, zijn zoons Roelf en Sikko deden ieder een melkloop. In mei 1938 deed Hindrik Bierling een stapje terug en vanaf die tijd combineerde Roelf Bierling het venten van melk met het veehouderschap. Overigens had zijn zus Griet Bierling ook een melkloop, zij het een stuk kleiner. Haar wijk bestond uit het St. Anthonygasthuis en de Herebinnensingel.

's Ochtends om kwart over vier ging Roelf Bierling met paard en wagen van de Rademarkt naar het melkland aan de Oosterhogebrug om zijn koeien te melken. Om half zeven keerde hij terug richting Stad en bracht de koemelk naar melkfabriek Nijverheid aan de Van Julsingastraat. Vervolgens laadde hij gepasteuriseerde melk weer op de wagen en begon hij te venten.

Eerst ventte hij in de buurt van de Meeuwerderweg en ging dan de Oosterpoortbrug over, pakte de singels mee, en kwam even thuis om te eten. Zo rond negen uur; de kinderen waren dan al naar school. Daarna ging hij verder met de melkloop. Eerst rondom huis: Kostersgang, Veulsgang, Molenstraat, Radebinnensingel. Bij de Kostersgang, waar nog geen spoeltoiletten waren, was het zaak om de strontkar voor te blijven.

Daarna ging het naar de Steentilstraat, omgeving Kattendiep, Damsterdiep, bij het slachthuis langs, en de hele Zaagmuldersweg af. Dan had hij ook nog klanten aan de Celebesstraat bij de Sionskerk, en ging hij vervolgens over de Korreweg, door het Noorderplantsoen, Plantsoenbrug over, Kraneweg, Wassenberghstraat, Westersingel, Westerhaven, en via de Praediniusingel naar de Paterswoldseweg. In de Piet Heinstraat had hij veel klanten, aan het Van Brakelplein, en dan ging hij weer naar de Paterswoldseweg, de hoek om bij de Parkweg, die straat helemaal uit, Achterweg, de Hereweg over, door de Feithstraat, Eerste en Tweede Willemstraat, Anna Paulownastraat, Sterrebostraat, het spoor over, langs de Lodewijkstraat en zo weer naar huis.

Buzze bounn

Het liep dan inmiddels tegen half twee. Tijd om te eten en even te zitten. Maar daarna was het weer buzze bounn, de melkbussen schoonmaken. Die gingen op de wagen en dan werd weer koers gezet naar het melkland in Oosterhogebrug om te melken. Al met al waren het lange dagen. Meestal was hij tegen half zeven weer thuis. Alleen als de koeien 's winters op stal stonden, was het wat gemakkelijker.

Opmerkelijk is dat hij 's middags na de tweede melksessie met de fiets naar huis ging. De melkbussen bleven 's nachts op de wagen in het land staan. ‘Daar mocht niet over gepraat worden’, aldus oudste zoon Henk Bierling. ‘Ja, de melk bleef ook bij zomerdag in de bussen. Het bleef gewoon goed. We hebben ook nooit klachten gehad.’

‘Bij winterdag hielpen we allemaal wel mee met de melkloop’, zegt Roel, de jongste zoon. ‘Dan ging ik mee met Jan en met Rieks , nog voor schooltijd, een uur of zes uit bed. Meehelpen tot acht uur en dan eten en naar school. En dan om twaalf uur weer meehelpen. Dat deed je, dat was heel gewoon.’

Roel merkt verder op: ‘Groningen was heel klein, de buitenwijken waren er nog niet. Je kwam door de hele stad met de melkloop. De melkventers waren in twee categorieën op te delen. Je had de vrije jongens, de particulieren, en je had de melkventers van de fabriek. Pa was eigen venter omdat hij zelf ook melk inbracht bij de fabriek. Daar werd dan de room afgehaald. Heel vroeger werd de melk rechtstreeks verkocht. Toen kwamen na de oorlog de fabrieken en die hadden ook hun eigen venters.’

Stadsslijters

‘Alleen het melken gaf geen bestaan’, zegt Henk Bierling. ‘Een aantal kleinere koemelkers heeft compensatie gevonden door hun melk in de stad te slijten. Dat waren dus echt stadsboeren zeg maar. Voor anderen van buiten de stad was dat vaak te bezwaarlijk of ze hadden geen klantenkring. Zij leverden dan tegen een gereduceerde prijs hun melk aan zo’n stadsslijter. Een voorbeeld was ome Daan, een neef van mijn moeder. Daan, Daniël, Harssema, van Helpman, bij de Coendersborg. Op die boerderij had hij zijn vee. Die leverde dus die rauwe melk aan mijn ouders tegen een gereduceerde prijs. Die had natuurlijk qua inkomen minder dan pa en moe die het tegen slijtersprijs aan de klanten leverden. Zo’n man moest ook compenseren en die was er veehandelaar bij. Hij scharrelde bij de boeren rond en als er een koe was die wegmoest, die niet meer paste in het productieproces, dan werd die naar de markt gebracht. Het waren dus andere mensen die dat er bij deden om toch maar een inkomen te verzamelen.’

‘Je had ook nog van die drekmenners, die de stratendrek weghaalden; zeg maar wat nu de gemeentereiniging is. Die gingen op pad met een paard en een soort vierkante, afgedekte kar en daar werd het stadsvuil, sintels, huisafval en dergelijke op gedaan. Ze hadden vaak een tuin en molken een paar koeien, maar ze moesten een deel van hun inkomen halen uit het ophalen van het stadsvuil’, aldus Henk Bierling.

 

Overlijden pa

Op 10 maart 1952 overleed vader. ‘Op dat moment hadden we alleen nog de melkloop. De koeien waren al weg. De beddestro liep al minder, want er kwamen steeds meer matrassen.’ Hierdoor stond de familie Bierling voor een moeilijke taak. Henk vertelt: ‘We waren een gezinsbedrijf. Het overlijden van pa heeft grote invloed gehad op de oudste kinderen in het gezin.’ Hij vervolgt: ‘Er waren twee ontwikkelingen: de melkloop alleen was niet meer voldoende om van te leven. En de vier jongste woonden nog thuis. Die kostten geld.’

Henk: ‘Rieks heeft toen gezorgd voor een vast inkomen voor het gezin door de melkloop over te nemen.’ Oudste dochter Aaf moest bovendien weer thuis komen wonen. Zij werkte en woonde in Spijk. Aaf: ‘Toen pa stierf, veranderde er voor mij veel. Ik was onderwijzeres buiten de stad, in Spijk. In de weekenden was ik thuis. Ik had het in Spijk reuze naar mijn zin. Ik ben daar in 1950 begonnen en in januari 1953 ben ik daar weggegaan omdat pa overleden is. Henk kwam toen bij mij en zei: 'het zou wel goud wezn als tou ook thoes kwamst, want dan kanst kostgeld thoes gevn'. Dan kon ik meehelpen in het huishouden, en ook financieel door kostgeld te betalen.’ Daarnaast kon de familie Bierling op enige steun van de overheid rekenen. Ze had het geluk dat de kinderbijslag juist in deze periode werd ingevoerd. Dat gaf enige verlichting. Ook kreeg moeder een weduwepensioen.

‘Na zijn dood zei moe dat pa wel had ingezien dat de boerenstand achteruit ging. Hij dacht al na hoe hij ‘s middags kon bijverdienen. Bijvoorbeeld door als conciërge of koster te gaan werken. Was hij niet gestorven, dan zou hij zeker iets in die richting gezocht hebben als bijverdienste nu de koeien er niet meer waren’, aldus Henk.

Over de voortgang van de melkloop merkt Henk op: ‘Later kreeg je de melksanering. Je had aanvankelijk klanten door de hele stad in plaats van per wijk zoals later.’ De melksanering was een positieve ontwikkeling. Zus Anty Bierling: ‘Door de sanering van de wijken kon je in kortere tijd meer doen en dus meer inkomen verwerven.’

Jan zou uiteindelijk de melkloop van Rieks overnemen. Hij dreef de laatste melkloop van de familie Bierling vanuit zijn zuivelwinkel in de Korrewegwijk.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.

Verwante items