Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen Menkemaborg
Gecontroleerd door redactie

Menkemaborg

[800-1594]
Afbeelding bij dit verhaal

Een van de fraaiste Groninger Borgen vinden we in Uithuizen. Daar ligt aan het einde van een imposante oprijlaan de Menkemaborg. Een buitenste gracht omringd een min of meer vierkant eiland waarop een schathoes, een bij de borg horende boerderij, staat en de prachtige baroktuin. De eigenlijke borg wordt door een tweede gracht omringd. De toegang tot de borg wordt gevormd door een brug die uitkomt op een klein voorterrein dat door een lage muur omringd wordt. Op de hoeken van dit voorterrein staan twee kleine vierkante torentjes met een gewelfd tentdak. Deze dienden als secreet. Als we om de borg heenlopen zien we aan de zijkanten dat het gebouw uit drie evenwijdige beuken bestaat waarvan de eerste door een trapgevel wordt afgesloten en de andere twee door een tuitgevel. Elke gevel wordt bekroond met een schoorsteen. De borg is niet gepleisterd, waardoor de bakstenen muren iets tonen van de bewogen geschiedenis van het gebouw.

Van de vroegste geschiedenis van de Menkemaborg is uit geschreven bronnen weinig bekend. Op een gevelsteen aan de noordoostzijde van de borg lezen we de tekst: ANNO 1400 IS MENCKEMA HUES VORNELT. ANNO 1614 DORCH GOTS GNADE GEREPARERT. Omstreeks 1400 zijn er inderdaad meer borgen vernield, dus dat maakt het aannemelijk dat ook Menkema hiervan het slachtoffer werd. Verder is bekend dat een zekere Eppo Menkema in 1376 redger in Uithuizen was. In 1465 is Rypke Mennekumma vermoedelijk ook redger te Uithuizen en in 1489 is er sprake van Eylart Menckema. Maar in dat jaar was het redgerrecht van Uithuizen in handen van Bywe to Stedum van de borg Nittersum aldaar. Misschien was Bywe to Stedum ook echt eigenaresse van Menkema, maar zeker is dat door het huwelijk van Teteke Nittersum met Egbert Clant het huis Menkema in handen van de familie Clant kwam. Een kleinzoon van Egbert Clant, ook Egbert geheten, was in 1573 redger in Uithuizen.

De zoon van Egbert, Osebrand, liet het huis in 1614 verbouwen en plaatste de gevelsteen. In 1682 verkocht Johan Clant Menkema aan Mello Alberda. Diens zoon, Unico Allard Alberda erfde het huis in 1699 en liet opnieuw een ingrijpende verbouwing uitvoeren waarbij het huis zijn huidige vorm kreeg. Ook de tuin kreeg zijn barokke inrichting. In 1714 erfde zijn minderjarige dochter Susanna Elizabeth het huis. Susanna Elizabeth zou later trouwen met haar neef Gerhard Alberda van Dijksterhuis uit Pieterburen. Zo kwamen de borg Dijksterhuis en de Menkemaborg voor het eerst in een hand. In 1790 kwamen beide huizen weer in afzonderlijke handen. In 1845 kwamen Menkema en Dijksterhuis opnieuw onder één eigenaar, namelijk Gerhard Alberda. Deze Gerhard bleef op Menkema wonen. Op Dijksterhuis woonde een rentmeester. Gerhard overleed ongehuwd in 1902. Menkema werd geërfd door de kinderen van zijn zuster Elizabeth Anna Lewe van Nijenstein - Alberda die de inventaris lieten veilen en de borg in 1921 schonken aan het Museum van Oudheden in Groningen. In 1922-1923 en 1925-1927 vonden restauraties plaats en in 1927 werd de borg voor het publiek opengesteld. De tuin werd op kosten van de gemeente Uithuizen naar een tuinontwerp van H. Copijn en Zoon aangelegd en al in 1923 opengesteld. Ook het schathuis werd gerestaureerd en als conciërgewoning en theeschenkerij in gebruik genomen.

De bouwgeschiedenis in stappen
Gelukkig is de bouwgeschiedenis van de Menkemaborg in 2001 grondig onderzocht. Uit dat onderzoek kwamen de volgende conclusies tevoorschijn. De oorsprong van de borg was een vierkant steenhuis. De contouren van de topgevel zijn nog met enige moeite te herkennen in de achtergevel. Uit de restanten van het vlechtwerk blijkt ook dat de nokrichting haaks op de tegenwoordige stond. Aan de hand van het gebruikte metselwerk is de datering van dit deel van het gebouw gelegd op het begin van de 15e eeuw. Het metselwerk wijst ook op toepassing van hergebruikt materiaal. Het zou dus kunnen dat er op dezelfde plaats ook al eerder een steenhuis heeft gestaan. De ligging van de borg op een oude zeedijk uit 1260 maakt dat aannemelijk.

In de 16e eeuw is het steenhuis in twee fasen vergroot. Als eerste werd er dwars op de nokrichting van het steenhuis een aanbouw tegen aangezet. Later die eeuw werd de aanbouw verhoogd en het geheel onder een nieuw dak gebracht met een nok die van zuidwest naar noordoost liep. Daarvoor werd het oorspronkelijke dak van het oude steenhuis verwijderd en werd aan de linkerkant van het steenhuis de muur opgetrokken tot de goothoogte van het nieuwe dak. In de zuidoostelijke muur waren vijf kloostervensters aangebracht en in de noordoostelijke muur twee kruisvensters.

De volgende uitbreiding vond plaats aan de zuidwestelijke zijde van het gebouw. Hier werd een smalle aanbouw in noordwestelijke richting gedaan. Het betrof hier de aanbouw van de grote zaal en zal wel met een vergroting van de status van het gebouw te maken hebben gehad. De goothoogte was lager dan die van het eerdere gebouw en de nokrichting stond er haaks op. Misschien is er in de oksel van het zo ontstane gebouw ook een traptoren gebouwd. De datering van deze vleugel is onduidelijk. Misschien is hij al eerder gebouwd dan de verhoging van de eerste aanbouw.

In het begin van de 17e eeuw werd er een derde bouwvolume aan de bestaande twee toegevoegd. Nu aan de noordwestelijke zijde, zodat een U-vormig gebouw ontstond. De ruimte tussen beide zijvleugels werd afgesloten door een muur met een poort aan de noordoostzijde. De hoofdingang kwam nu tegenover de poort aan de binnenplaats te liggen.

In de late 17e eeuw, waarschijnlijk rond 1685 werd het voorterrein dichtgebouwd en van een kap voorzien. Dit dak stond haaks op dat van de zuidwestelijke vleugel en was lager dan het tegenwoordige dak. Waarschijnlijk is in deze tijd ook de noordwestelijke beuk van het gebouw verhoogd tot zijn huidige hoogte. Deze beuk werd nu aan beide zijden door een trapgevel afgesloten.

Begin 18e eeuw, waarschijnlijk in 1705 vindt de laatste grote verbouwing van de borg plaats. De ingang verdwijnt van de noordoostelijke gevel naar de noordwestelijke. Het dak van de middelste beuk werd verhoogd tot zijn huidige hoogte en het dak aan de zuidwestelijke zijde werd vervangen door de tuitgevels die we vandaag nog zien. Tegen de noordwestelijke gevel, waar zich nu de ingang bevindt, werd een nieuwe muur gemetseld. Links en rechts van de voordeur bevonden zich vijf kloostervensters. Die werden in 1785 vervangen door grotere schuiframen. Na deze aanpassingen zijn er geen grote veranderingen meer aan de borg aangebracht. Alleen de drie kappen van de borg zijn in de jaren twintig van de 20e eeuw geheel vernieuwd.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.

Verwante items