Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen Mijn jeugd in Marum
Gecontroleerd door redactie

Mijn jeugd in Marum

[1940-1945]
Afbeelding bij dit verhaal

Ik ben geboren op 5 april 1933 in Marum. Om een beeld te geven van mijn jeugd, begin ik zo ongeveer in 1943, toen ik tien jaar oud was. Een leeftijd dat je weet wat je mag doen en wat niet.

Omdat het oorlog was, waren er voor mij ook beperkingen; soms kon ik niet naar school omdat Duitse soldaten de school in beslag genomen hadden om er tijdelijk in te wonen. Ze lagen op stro te slapen met een paardendeken over. Het schoolplein stond vol met wagens en ander rijdend oorlogstuig zoals kanonnen en veldkeukens. De paarden werden bij boerderijen ondergebracht. Soms vertrokken ze na een paar dagen, maar het duurde ook wel eens een paar weken.

We hadden ondanks de oorlog goed te eten; aardappelen, melk en eieren kochten wij bij verschillende boeren. Zij moesten hun spullen ook een beetje verdelen zodat ieder wat kreeg. Groenten kochten wij ‘s zaterdagsmorgens bij een kweker in Lucaswolde. Daar kwam je de hele buurt tegen.

Kleren werden uit oud spul gemaakt. Moeder was altijd in de weer met breien en kleren naaien. Wij waren met vier kinderen thuis. Later woonde een oud-tante bij ons in, die huisnaaister was. Zij maakte toen onze kleren. Onderkleren werden gemaakt uit oude hemden van opa. Nieuwe kleren waren bijna niet meer te koop en als dat wel het geval was, was kleding erg duur. Schoenen hadden wij bijna nooit meer aan, daar moesten we zuinig op zijn. Daarom droegen we klompen, die waren nog wel te krijgen. Nieuwe klompen werden voorzien van rubber zolen en hakken. Ze moesten zo lang mogelijk mee. Er was niet op te lopen, je brak bijna je benen omdat ze te hoog waren. Verder droegen wij zwarte gebreide kousen, daar overheen sokken en leren klompsikjes.

Wij hadden met ons vieren een stepje, kinderfietsen waren er bijna niet. Als ze er al waren, waren ze voorzien van massief- rubberen banden. Fietsen voor volwassenen waren meestal door de Duitsers in beslag genomen- gevorderd, noemde men dat. Auto’s zag je ook niet meer. Ja Duitse auto’s en motors.

Tegenover ons woonde Duitse politie, die geregeld onderduikers ophaalde en ook mannen die niet voor de Duitsers wilden werken. Schildwachten hielden de wacht. Als ik ’s nachts wakker werd, dan hoorde ik ze lopen. Ik was vaak bang voor al dat geheimzinnige gedoe. Ik snapte de bedoeling van dat alles niet. Waarom er onschuldige mensen vermoord werden, zoals die zestien mannen die op 13 mei 1943 op Trimunt werden doodgeschoten. Ook de dertien jarige Steven van der Wier verloor daarbij het leven. Ik zie hem nog met de andere jongens van de Haar (de weg tussen Marum en Friesche-Palen) naar de Mulo gaan.

Wij hadden altijd mensen in huis; oude mensen, onderduikers en een jongen uit Rotterdam, die bij ons moest aansterken. Al die verschillende toestanden, zowel van blijdschap als van verdriet komen mij soms nog door de gedachten. Ik heb daarover enkele gedichten en verhalen geschreven. De gedichten in het dialect van het Zuidelijk Westerkwartier.

Dodenherdenking 4 mei

De zun kleurt grille takken rood,
die bloedend griepen noar de oavendlucht
vol troosteloze herinneringen.
Een veul te vroege dood
ontnam de beulen, vol van martelzucht,
de uutgeteerde starvelingen.
Misschien nog ofscheidswoorden
die wij nooit verstoan zallen.
De trieste slötakkoorden
blieven deurbetoan, bij ons allen.
’t Enege wat wij deur de troanen hen zien,
bennen de noamen ien t kolles stien.

Trimunt
Heimwee sluupt deur holle goaten
van kolt en wezenloos beton,
die lienen met n voage heurizon
van wreedheid die we hoaten.
De zwaarde, levenlose goaten
bennen nou omringt met leventeg groen
van alles dat ons weer herinneren doet
van t wreed geweld van toen
de grond kleurd wer met onschuldeg bloed.
Oorlogsgeweld gijt nog niet starven,
et kent gien dag en nacht,
mor wil alleneg mor wonden karven
dat eeuweg bloedend groeit
noar n heurizon woar vrede uutgloeit
en kermend smoort.

De kruusweg
Ien n langgerekte streek
woar alles was en kon,
woar t sums minder was dan t leek
en veur veul n leven met zörgen begon,
ben ik geboren ien n krappe alkoof
woar allenneg mor ruumte was
veur n berre, n stoel en n stoof.
Ik groeide op ien kleer uut ops’s jas
die taande Minoa naaide op de groei.
Moeke ging sums flink te keer
as et kepot roek deur bestoei.
Schoenen warren der host niet meer,
allenneg klompen kon je nog kopen
met hiele dikke rubberzolen,
doar was host niet op te lopen.
De kaggel braandde al laang niet meer op kolen,
mor op pepier en stomkes holt.
Ik zat voak aan toavel met n proellip
veur n bord vol flaauwe roggeprip.
Et wer je onder handen zo stoafeg aan kold.
Doe n keer warren wij zo baang
met et beschieten van de Drachster tram.
Wij stonden om moeke hen ien de gaang;
‘t Leek wel of der gien ende aan kwam.
Tegenover ons woonden Duutse soldoaten
achter ofrastering van riegen stiekeldroad.
Ze hielden ons altied ien de goaten,
van ’s mörgens vroeg tot ’s oavends loat.
Vremde mensen bij ons ien huus;
onderdukers, evacuees en olle mensen,
wij, kiemder voelden ons der niet meer thuus.
Wij hadden niks te wensen.
De bevrijders kwammen met n bult lewaai,
en joegen de Duutsers t heulaand ien.
Doe kregen wij n hiele ommezwaai
en konden t rood, wit en blauw weer zien.
Sums kiek ik nog noar de geschonden muren,
ze kennen mij nog en leven even op;
kiek doar gijt t jonkje van de buren
met zien fluwelen pahje aan en n mutske op e kop.
Ik fiets weer stoadegaan noar huus,
want woar ik aal joaren woon,
doar ben ik thuus.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.