Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen Mijn 'Overgrootje'
Gecontroleerd door redactie

Mijn 'Overgrootje'

[1795-1914]
Afbeelding bij dit verhaal

21 februari 1902 werd mijn vader Johannes Boon in Uithuizen geboren, 5 juni 1997 is hij er overleden. In zijn laatste levensjaren sprak hij veel over het verleden: “Ik zit hier lekker warm en heb mijn natje en droogje. Vroeger hadden bejaarden het veel slechter, nu hebben ze gelukkig hun AOW. Vandaar dat ik nog vaak aan mijn Overgrootje denk, vertelde mijn vader. Het was zo rond de kerst in 1910, ik was ongeveer acht jaar”.

Terwijl moeder op de houten tafel de knolraap aan plakken sneed, speelde ik op de planken vloer dicht bij de warme kookkachel met mijn knikkers. Er werd op het raam getikt. “Overgrootje,” zei moeder. Overgrootmoeder kwam binnen. Ze klopte de sneeuw van haar omslagdoek en zette haar klompen bij de deur. Op kousenvoeten kwam ze rillend van de kou de kleine kamer binnen. ”Moi Knelske en ventje Jan.” “Moi Overgrootje.” “Wat doe jij in deze sneeuwstorm buiten, op jouw leeftijd?” vroeg moeder bezorgd.“Omdat ik geen turf meer heb en de sneeuw door alle kieren m’n kamer naar binnen waait, kom ik me hier warmen. Ik ben koud tot op het bot.” Moeder schoof voor Overgrootje de kraakstoel dicht bij het vuur en ze zei: “Kom oudje, ga zitten en warm je.”

Om zich tegen de kou te beschermen, had Overgrootje van oude wollen kousen de voeten afgeknipt. Ze droeg ze over de mouwen van haar grijze jak, zodat haar armen warm bleven. In huis trok ze de kousen eraf. Op haar zwarte wollen rok droeg ze een bonte schort. Op haar hoofd droeg ze een zwarte, gebreide muts, waar een knoedel bovenop zat. In haar kous zat een gat, waardoor haar grote teen stak. Medelijdend keek ik vanaf de vloer naar Overgrootje. Terwijl zij mij over de bol aaide, vroeg ze: “Is mijn ventje Jan mooi aan het spelen?” Ze hield heel veel van mij en ik van haar.

Overgrootmoeder haar eigen naam was Jantje Baar. Ze werd in 1835 in Uithuizermeeden geboren. Ze huwde Johannes Boon. Hij was in 1832 in Uithuizen geboren. Overgrootvader was dagloner bij de boer, maar daarnaast bezat hij ook een hondenkar. Daarop laadde hij zijn handel, zoals haring, mosterd, azijn, koffie, thee, koek en kruiden. Door weer en wind liep hij met z’n handel de huizen in Uithuizen en omstreken af. Het was moeilijk om iets te verkopen, want hij was niet de enige handelsman in het dorp. Jantje en Johannes kregen achttien kinderen en Jantje had drie miskramen. Wanneer de avonden lang en koud waren, was er immers geen betere plek dan de knusse bedstee; de lamp en de kachel konden dan uit. Ze verloren twaalf baby’s en vier kinderen in de leeftijd van 14, 22, 33 en 51 jaar. Het was ploeteren voor het dagelijks bestaan. Veel kinderen stierven in die tijd aan ‘lepelziekte’ (lepelziekte = honger lijden).

Een zoon en een dochter bleven in leven. Hun dochter Gratje werd in 1857 geboren. Gratje ging al jong als dagloonster bij een boer aan het werk voor kost en inwoning. Na een paar maanden bleek dat Gratje zwanger was van een van de knechten. Van wie ze zwanger was kon ze niet zeggen. Toen ze twintig jaar was, baarde Gratje een zoon, Johannes. Zijn roepnaam was Jans. De ‘stamnaam’ kreeg hij van Gratje. In het dorp werd gefluisterd dat Gratje een ‘onecht kind’ had gekregen. Het was in die tijd een grote schande als het niet bekend was wie de vader van het kind was en de moeder ongetrouwd bleef.

Direct na de geboorte moest Gratje weer aan het werk op de boerderij. Haar ouders zorgden voor de kleine Jans. Toen Jans zeven jaar was, hielp hij Overgrootvader al met de hondenkar. Hij laadde er producten op en bracht de verkochte waren bij de klanten in huis. Jans merkte dan wel dat er over hem gepraat werd. Zo ging het ook met ‘vrouw Trijntje-anderhalve-cent’. Vrouw Trijntje had deze bijnaam omdat ze nooit geld had. Wanneer Overgrootvader er bij haar op aandrong dat ze moest betalen, dan zei vrouw Trijntje in het venijn tegen Jans: “Je bent een onechte.”

Doordat Jans op school uitgescholden werd voor: “onechte”, spijbelde hij van school. Toentertijd was er nog geen leerplicht, dus hij kreeg daardoor geen problemen. Toen Jans negen was, ging hij voor kost en inwoning bij een boer werken. De jaren verstreken en Jans werd volwassen. Toen Knelske Stok dienstmeisje werd op de boerderij, viel ze goed in de smaak bij Jans. In 1901 moesten ze trouwen en betrokken ze een kleine woning op de wierde. Kort daarna overleed overgrootvader. Doordat ik op 21 februari 1902 geboren werd en de naam van mijn overgrootvader kreeg, verzachtte dat het leed voor overgrootmoeder.

Door de dood van overgrootvader zat Overgrootje zonder inkomen en werd daarom opgenomen in het katholiek armenhuis te Uithuizen. Het armenhuis bestond uit negen kamers onder één dak. Voor ieder gezin was er één kamer. Daarin werd gewassen, gekookt en geslapen. Achter het armenhuis was er voor de bewoners een gezamenlijke waterput en één poepdoos. Rondom het armenhuis was geen bestrating, zodat het er bij regenachtig weer een modderpoel was. De bewoners leefden er onder erbarmelijke omstandigheden. Gelukkig verdiende overgrootmoeder nog een beetje bij door koffie, e.d. te verhandelen aan vaste klanten van haar man. Het armenhuis stond vlakbij ons huis en daarom kwam overgrootmoeder vaak bij ons langs. Overgrootje kon gezellig babbelen en had vaak wel een nieuwtje. Ik denk nog wel eens terug aan die gezellige middagen met Overgrootje.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.

Verwante items