Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen Molukkenstraat 25 A/ 130
Gecontroleerd door redactie

Molukkenstraat 25 A/ 130

[1945-1980]
Afbeelding bij dit verhaal

Het huis keek me hooghartig aan, en ik keek kwaad terug. Om er te komen moest je een stenen trap op, dat heette een portiek, leerde ik al snel. Vreemde kamers, een onbekende geur, een andere school, en je kon de wereld alleen maar van bovenaf bekijken. Het leek in niets op het huis en de omgeving die ik gewend was, de vriendjes en vriendinnetjes waren er niet meer en dus was ik voor alles bang. Het hele interieur uit het oude huis ging zowat mee, dat scheelde wel, tenminste iets wat nog vertrouwd was. Mijn pop ging mee, en m’n twee klompjes. Met die klompjes was de ellende al begonnen, voortaan moest ik op schoenen naar school, en mijn moeder was me al af gaan leren om plat te praten, want dat “hoorde” niet.

In 1957 verhuisden we van het ‘suikerdorp’ (Hoogkerk) naar de Molukkenstraat te Groningen. Ik miste alles; het gordijn waar ik me achter verstopte om ’s winters naar de sneeuw te kijken, het geheimzinnige hok achter één van de slaapkamers waar een ton stond met wat kleding, de grote kast op de overloop, de vrijheid in en om het huis, de Drachtster tram die voor het huis langs denderde. Het nieuwe huis had niets geheimzinnigs.

Als je de voordeur binnen stapte kwam je in een klein halletje. Het toilet in Groningen was heel modern. Er was een metalen koord waar je aan trok om door te spoelen. Dat was nog eens wat anders dan naar buiten moeten, papiertjes van bladen aan een touwtje die dienst deden als toiletpapier, en de altijd aanwezige geur. ’s Winters als het vroor, stond er een petroleumstel te branden.

Aan de voorkant van het huis was een kleine kamer, daar kon net een eethoek staan en voor elk raam een stoel. Er was een inloopkast en een provisiekast. Daar stonden weckflessen etc. Naast dit kamertje was een trap naar boven. Linksaf in het halletje ging je óf naar de woonkamer, óf naar de keuken met de deur naar het balkon.

In de keuken was een kast, keukenkastjes, een aanrecht, een gordijntje onder de gootsteen, een besteklade, een open gedeelte voor de broodplank, een schoorsteenmantel met er onder een gasstel, daar onder, achter een gordijntje, butagas, een klein tafeltje, een stoel, en een doorgeefraampje.

De woonkamer was vrij ruim. Er was een haard en een eethoek.’s Zomers verhuisde die naar het kleine kamertje voor, want daar was geen verwarming, en het uitzicht beter dan in de woonkamer, waar je uitkeek op het balkon en de zijgevel van de zijstraat. Voor was een mooi parkje en kon je de mensen zien lopen.

Als je de trap naar boven op ging, zag je een stuk van de schoorsteen. Er waren twee slaapkamers; ééntje voor de ouders en in de andere sliepen mijn zus en ik (ik op een opklapbed). Boven de twee slaapkamers was een vliering waar oude rieten koffers stonden.

Op de overloop bevond zich een wit stenen wasbak, met koud water. Er was een gordijn omheen gemaakt. Verder een tweepersoons logeerbed, voor gasten. Dat bed had ook al in het oude huis gestaan, met een gestikte deken erop. Opa kwam elke maand logeren. Hij had dan de huur geïnd van het oude huis dat van hem was.

Later verdween het tweepersoonsbed van de overloop en werd er een hokje afgetimmerd, met een gordijntje er voor. Daar kwam een bed voor mij te staan. Het was een piepklein kamertje, maar toch van mezelf. Helaas zat in mijn hok een klein raampje aan de trapkant, en het was niet best als mijn pa beneden kon zien dat ik nog lag te lezen. Verder was er een dakraampje, dat kwam mooi uit: als ik vroeg wakker was en het was licht…

Langzamerhand wenden wij aan het huis en de omgeving. Ook dit huis had z’n vaste rituelen; ’s morgens meestal een bord brinta, tussen de middag werd er warm gegeten, ’s maandags meestal restjes, want dan was er wasdag. Dat gebeurde hier nog jarenlang met de hand. ’s Winters in de keuken en ’s zomers op het balkon. Een complete verhuizing; de bok waarop de wasketel stond, de stamper, de wasketel, het wasgoed, alles moest naar beneden, en na gedane arbeid weer naar boven, week na week.

Er kwam een distributieradio en een leesmap, waar “de Lach” meteen uitgehaald werd, we mochten dat niet bekijken. Veel speelgoed hadden we niet; een rieten poppenwagentje, een paar poppen, een dameshandtas waar we onze geheimen in bewaarden, briefjes, ansichtkaarten, een blokkendoos, maar altijd was er tekenpapier, potlood, gum en kleurpotloden. Dat deden mijn zus en ik het liefst ’s avonds, zolang de winter duurde, met een kopje thee, soms de radio aan, en maar tekenen. Soms kregen we een lepel levertraan met een snoepje. Een warme kruik mee als het vroor.

’s Zaterdags begonnen al de voorbereidingen voor het eten van de volgende dag; soepballetjes draaien, soep koken, aardappelen en groente schoonmaken, vlees werd gebraden en pudding gemaakt. Tussen de middag aten we voor het gemak meestal rijst met boter en suiker, poffert met saus en pannenkoeken. De schoenen moesten worden gepoetst, en we mochten naar de bibliotheek. Daarna gingen we nog wel eens naar de stad of op bezoek, maar vaak las ik ’s winters de hele middag, gezeten op een gehaakte poef. De wekelijkse wasbeurt gebeurde in de keuken, achter elkaar aan. Dat had toch ook wel iets gezelligs. ’s Zondags was er de zondagschool, de kerk, een wandeling, maar behalve lezen mocht er eigenlijk niets, ook buiten mocht je niet vuil worden, want je had je beste kleren aan. Toen we een stuk kleiner waren droegen we binnen witte schortjes!

Een slechte herinnering aan een kerstfeest was het kerstkonijn. Ik was gewend aan dieren bij het oude huis. Nu was er niets meer, en dus was het zo leuk dat we een konijn kregen! Het beestje huisde op de overloop, in een hoge schipperskist, en ineens was het weg. Tot die kerst had ik géén idee dat het beestje door mijn vader zelf werd geslacht op het balkon. Ik kwam er per ongeluk achter, in het andere huis kreeg je zoiets helemaal niet mee. Wat ben ik toen woedend geweest. Ik herinner me niet meer of ik ervan gegeten heb. Toen ik later dat liedje hoorde over Flappie zag ik het zó weer voor me. Voor de rest was kerstfeest heerlijk. Er werd een “tante Emy koek” gebakken in de poffertpan, we kregen een toetje met slagroom, kerstkoekjes en chocolaatjes. Ook was er het kerstfeest van de zondagschool waar we een boekje en een sinaasappel kregen.

In de loop van de tijd werden de meubels moderner, veel later kwam er een wasmachine, een tv etc. Een auto is er nooit gekomen. Wel vaste vloerbedekking i.p.v. kleden of matten van biezen. Er kwam een gaskachel en een gasstel. De groen geëmailleerde pannen werden ingewisseld voor stapelbare stoompannen, shampoo zat niet langer in zakjes en werd niet meer geweckt. We hebben tot 1965 in de Molukkenstraat gewoond. In die jaren is er heel veel veranderd. Het huis staat er nog altijd.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.