Griffier 1941 - 1946
Mr. S.J. Fockema Andreae werd geboren te Leeuwarden op 10 april 1904. Van vaderszijde uit Friese, van moederszijde uit Saksische (Twentse) voorouders. Hij bezocht lagere scholen te Alkmaar en Arnhem. Voorts het stedelijk gymnasium in Arnhem van 1916 - 1922 en de Rijksuniversiteit te Leiden van 1922 - 1927. In oktober 1927 verwierf hij de hoedanigheid van meester in de rechten.
Na enige tijd in het buitenland te hebben doorgebracht kwam hij op 1 april 1928 in tijdelijke dienst bij het Hoogheemraadschap van Rijnland in Leiden. Als taken had hij onder andere inventarisatie van de oude archieven en het schrijven van een boek over de rechts- en bestuursgeschiedenis van het Hoogheemraadschap. Hiermee was hij tot in 1934 bezig. Op het boek over de geschiedenis van het Hoogheemraadschap verwierf hij het doctoraat - cum laude - in de rechtswetenschappen. Ondertussen had hij tevens de hoedanigheid van wetenschappelijk archiefambtenaar der 1e klasse verworven en was als zodanig tot archivaris benoemd. Inmiddels was hij met ingang van 1 februari 1934 benoemd tot tijdelijk ambtenaar bij het ministerie van Justitie bij de 2e afdeling A (Staats- en Strafrecht). 'Terwijl deze werkkring voor hem veel aantrekkelijks had, gaf de overvloed van jonge juristen zowel op dit als op ander Haagsche regeeringsbureaux hem aanleiding, naar een andere plaats uit te zien'.
Sedert 1 december 1941 was Fockema Andreae hoofdcommies, chef der 2e afdeling aan de provinciale griffie van Overijssel te Zwolle en vanaf begin 1940 lid der staatscommissie voor de Waterstaatswetgeving. Vanaf 1939 was hij tevens rechter-plaatsvervanger bij de arrondissementsrechtbank te Zwolle.
Fockema Andreae was lid van de Liberale Staatspartij, lidmaat van de hervormde kerk en aanhanger van de vrijzinnige richting.
Behalve op zijn rechtenstudie in algemene zin is hij zich steeds blijven toeleggen op de rechts- en bestuursgeschiedenis en de historische aardrijkskunde, de laatste jaren voornamelijk gericht op de provincie Overijssel. Hiermee hing samen het bestuurslidmaatschap - sedert 1937 - van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis.
Hij bleek een voortreffelijk ambtenaar en een uitstekende stylist. Fockema Andreae wrerd geroemd om zijn grote plichtbetrachting en opvattingen over eer en fatsoen.
Bij zijn sollicitatie in Groningen moest hij een afstammingsverklaring afgeven. Daarin stond ondermeer: 'naar zijn beste weten noch hijzelf noch een zijner ouders of grootouders ooit heeft behoord tot de Joodsche geloofsgemeenschap' Hij werd benoemd op 15 juli 1941 en
verklaart een maand later zich te onthouden van elke handeling gericht tegen het Duitse Rijk of de Duitse Weermacht.
Direct na de oorlog, op 17 juli 1945, werd hij geschorst door het Militair Gezag. Een aantal provinciale ambtenaren wensten niet meer met hem te werken na de oorlog.
In afwachting van een in te stellen onderzoek werd de griffier verlof verleend. Naar aanleiding van het onderzoek door de bevoegde zuiveringscommissie werd de griffier bij besluit van de Militaire Commissaris in de provincie Groningen van 17 juli 1945 geschorst.
Op 6 maart 1946 werd hem eervol ontlag verleend, met toekenning van wachtgeld. 'Hierbij was overwogen dat, ofschoon aan het goede Nederlanderschap van hem niet behoefde te worden getwijfeld, de houding van mr. Fockema Andreae in verband met de bezetting zoodanig was geweest, dat hij in zijn betrekking niet kon worden gehandhaafd'.
Andere ambtenaren waren teleurgesteld over de schorsing. Ze waren ervan overtuigd dat hem onrecht werd aangedaan. 'Zij hebben gewaardeerd de wijze waarop hij de N.S.B.-leiding tegemoet trad of adviseerde, waardoor ongetwijfeld veel onrecht is voorkomen, althans verzacht'.
Fockema Andreae vertrekt uit Groningen. Later was hij onder andere werkzaam op het Algemeen Rijksarchief in Den Haag.
