De streek Vredewold in het Westerkwartier was vijfhonderd jaar geleden een onherbergzaam hoogveengebied. In het begin van de 16e eeuw verwierf Wigbold van Ewsum van de borg Ewsum in Middelstum grote stukken moeras en heide. Hij was daarmee een van de eerste grote veenbazen van Groningerland. Aan de rand van zijn land bouwde hij een stenen huis dat de naam Nyen Oord kreeg. Waarschijnlijk is de naam ontleend aan de burcht te Middelstum die ook wel Oord genoemd werd. Het huis had een slotgracht en een ophaalbrug. Wigbold van Ewsum liet wegen aanleggen en een stelsel van kanalen en sluizen moest het veengebied ontsluiten en tegelijk een eind maken aan de vaak voorkomende wateroverlast door afstromend veenwater in de omgeving. Zijn weduwe, Beetke van Rasquert, zette het ontginningswerk krachtig voort en kocht en ruilde gronden zodat tegen het midden van de eeuw een groot aaneengesloten veengebied ontstond. De borg werd uitgebreid en kreeg vier vleugels die om een binnenplaats lagen. Het complex werd door de slotgracht omringd. Een tweede gracht omsloot ook nog de borgtuin. Langs de weg van Midwolde naar Roden waren schietgaten in de muur aangebracht. Er kwam een moestuin, boomgaard en visvijver voor de voedselvoorziening.
In 1555 erfde Wigbold II Nienoord. Hij zou later uitgroeien tot een van de belangrijkste aanvoerders in de strijd tegen de Spaansgezinde stad Groningen. In het strijdgewoel werd Nienoord veroverd door Spaanse troepen en heroverd door Staatse. Het gebouw had schade geleden, maar werd hersteld. Na de Reductie van Groningen kreeg het geslacht Ewsum weer de kans om het uitgebreide landbezit te exploiteren. In 1642 erfde Anna van Ewsum het omvangrijke familiebezit. Zij was door haar bezit een begeerde bruid en trouwde in 1647 met Freiherr Carel Hieronymus von Inn- und Knyphausen, een Oostfriese edelman. Na zijn vroege dood trouwde Anna met Georg Wilhelm von Inn- und Knyphausen, een achterneef van haar eerste echtgenoot.
Een indrukwekkend barokslot
Baron Georg Wilhelm verbouwde Nienoord tot een prachtig woonslot. Na beschadigingen in de tijd van de Munsterse inval in 1672 werd de borg opnieuw hersteld. Uit die tijd dateert de grote toegangspoort uit Bentheimer zandsteen. De grote inkomsten uit de vervening maakten de verbouwing tot een barok paleis mogelijk. Georg Wilhelm von Inn- und Knyphausen liet de Amsterdamse schilder Hermannus Collenius komen om een aantal grote schilderijen en andere decoraties te maken. Onderwerpen waren op Griekse en Romeinse gebaseerde schilderingen. Collenius werkte in totaal vier jaar op Nienoord.
Over hoe Nienoord er in die tijd uitzag is weinig precies bekend. Uit een inventaris uit 1737 blijkt wel dat de borg een groot gebouw was. Er worden ruim veertig vertrekken beschreven. De afmetingen blijken ook uit de nog altijd bestaande borgklip, het eiland waarop het huis heeft gestaan. Deze meet namelijk zo'n 60 bij 70 meter.
Ondergang
Als gevolg van de Franse Revolutie verloor de Groninger landadel haar bevoorrechte positie. Het verlies van de heerlijke rechten betekende een belangrijke achteruitgang in de inkomsten van de borgheren van Nienoord en andere borgen. In 1802 en in 1842 werden delen van het huis op afbraak verkocht. In 1842 had de eigenaar van Nienoord, Ferdinand Folef van Inn- en Kniphuizen (de familienaam was inmiddels vernederlandst) bedongen dat een aantal onderdelen zorgvuldig door de koper moest worden gedemonteerd en aan de borgheer overgedragen moest worden. Dat gold ondermeer voor de beschilderde plafonds uit de danszaal en andere vetrekken en enkele zandstenen deurpartijen, die we nu in het bestaande gebouw weer terugzien.
Op 23 januari 1850 brak er brand uit in de oranjerie. Bij deze brand gingen veel schilderijen uit de oude borg die daar opgeslagen waren verloren. Na de brand liet jonker Folef, zoals hij in de volksmond genoemd werd, het zuidwestelijke deel van de borg verbouwen. Het gebouw werd van een pleisterlaag voorzien zodat de bouwkundige sporen uit het verleden en de hergebruikte stenen onzichtbaar werden. Na de dood van de kinderloze Ferdinand Folef van Inn- en Kniphuizen in 1884 erfden de kinderen van zijn overleden zwager jonkheer Ulrich van Panhuys de borg Nienoord. De nieuwe eigenaar, Bram van Panhuys was een van de rijkste mensen in de provincie Groningen. Hij liet het huis in de jaren 1885-1886 ingrijpend verbouwen. De tegenwoordige borg Nienoord vertoont grote overeenkomst met het woonhuis van de familie Van Panhuys aan het Hereplein in Groningen. Het was een gepleisterd gebouw waarbij het reliëf moest suggereren dat het uit natuursteen was gebouwd. Het schilddak kreeg zwarte leisteen als bedekking. In het interieur werden delen van de oude borg verwerkt. De twee zandstenen binnenpoorten zijn herplaatst evenals servieskasten en een schouw. In 1892 werd er opnieuw verbouwd en kreeg het gebouw een toren. In dezelfde tijd werd ook de boerderij, het schathoes, dat op de borgklip stond afgebroken. Hiervoor in de plaats verrees een koetsierswoning met paardenstal en koetshuis. Deze nieuwe gebouwen werden ook gestuct en geel geschilderd.
De tragedie
In de avond van 6 november 1907 reisde het echtpaar Van Panhuys met hun zoon en schoondochter per koets van Groningen naar Leek. In dichte mist raakte de koets bij Hoogkerk te water en alle passagiers en een knecht verdronken. Na dit tragische ongeval verhuisden de overige kinderen naar een tante en stond het huis leeg. In 1907 werd de inboedel verkocht en onder het beheer van een rentmeester verhuurd. In 1950 werd het huis door Bram van Panhuys aan de gemeente Leek verkocht. In 1958 werd in het koetshuis het Nationaal Rijtuigmuseum gevestigd. Later kwam er in het park een kinderboerderij en een modelspoorbaan en nog later een subtropisch "Zwemkasteel Nienoord".
Het huis werd opnieuw ingrijpend verbouwd. Er kwam een restaurant, muren werden doorgebroken om het gebouw als museum geschikt te maken.
