In mijn jeugdjaren woonde ik in één van de winkelstraten van Groningen, de Oude Ebbingestraat. Mijn vader was huisschilder, maar omdat er in die tijd olieverf gebruikt werd en er geen verwarming binnenshuis was (behalve in de woonkamer), kon een schilder niet werken in de winter. Er waren wel 5 kinderen op te voeden en daarom hadden mijn ouders een winkel in huishoudelijke artikelen, H.v.d.Veen, als neveninkomsten.
We woonden achter de winkel. De woonkamer was ongeveer 4x4 meter. Daarachter was een open plaatsje van 3x3 meter, en daaromheen waren pakhuizen, zodat er weinig licht in de kamer en de (kleine) keuken kon komen. Op het open plaatsje was de WC, zodat je altijd een paar stappen door de buitenlucht moest, als je daar naartoe ging. Ook 's winters.
Er was nog geen douche in die tijd. Wij wasten ons in een teiltje warm water en af en toe gingen we naar het badhuis, waar je voor een paar dubbeltjes kon douchen. Het wassen van kleren (op maandag) gebeurde met de hand. De was werd gekookt op een petroleumstel buiten op het plaatsje, en werd dan in de wastobbe gedaan. Drogen kon boven op het balkon. Vis werd ook gebakken op dat petroleumstel.
De enige verwarming in het huis was de kolenkachel in de kamer. In het najaar werd zoveel mud kolen besteld. De kolen moesten in de kelder gebracht worden, die maar 1 ½ meter hoog was. De kolenboer was daar, evenals de aardappelboer, niet blij mee. Zij moesten gebukt met hun waar de kelder in.
Op de eerste verdieping was de slaapkamer van de ouders. De voorkamer op die verdieping was verhuurd aan juffrouw S. Zij had ook een keuken, waar meer daglicht kwam dan in onze keuken beneden. Juffrouw S. en haar bezoeksters moesten door de winkel naar boven. Een paar oudere vriendinnen, die de steile trap nogal moeilijk vonden, liepen op handen en voeten de trap op. Daarom werden zij door ons “de trap-slakken” genoemd. Toen juffrouw S. verhuisde, werd haar kamer onze woonkamer.
Een verdieping hoger waren de slaapkamers van de kinderen. Aan de achterkant sliepen de meisjes, aan de voorkant de jongens. Daar tussenin was een WC, het gangetje naar het balkon, en de trap naar de zolder. Als het in de winter vroor, waren ’s morgens de dekens aan het voeteneind van het bed vastgevroren. Dan mochten we ’s avonds een hete kruik mee naar bed.
Boven op zolder was het pannendak, zonder beschot. Daar smeerde vader de kieren tussen de pannen dicht, maar, desondanks, als het buiten sneeuwde en waaide, sneeuwde het op zolder ook.
Vlak voor ons huis liep de tramlijn. ’s Nachts, tegen 12 uur kwamen alle trams van de hele stad langs ons huis. Ze waren op weg naar de remise bij het Noorderstation. De trams reden dan zo hard als ze konden. Dat was een gerammel en gegier van jewelste door de bochten, eerst over de brug naar rechts, en meteen weer naar links, het Boterdiep op. Als we logés hadden, konden ze er niet van slapen. Wij hoorden het niet eens meer.
Als kind konden we gewoon op straat spelen, want er waren nauwelijks auto’s. Ook 's avonds was dat geen probleem. Onderweg naar school knikkerden we, langs de stoeprand.Op de Ossenmarkt kon je fijn tiepelen. Als we een dagje uit gingen naar bijvoorbeeld DE BRAAK, deden we dat lopend, zo’n 10 kilometer. We kregen dan een fles limonade mee, een paar boterhammen, een dubbeltje voor een ijsje, dat was het dan. In de BRAAK was een doolhof en een kettingbrug over het water. Je moest proberen droog over de brug te komen, maar dat lukte niet altijd.
Door de Turfsingel bij ons in de buurt voeren kleine vrachtscheepjes. Sommige pasten net niet onder de Ebbingebrug door. Die konden de stuurhut uit elkaar nemen. Voorbij de brug zetten ze die dan weer in elkaar. Soms, als het maar één of twee centimeter te hoog was, vroeg de schipper voorbijgangers, om over de brugleuning op het schip te klimmen. Als er genoeg mensen bij kwamen, lag het schip iets dieper, en konden ze zo onder de brug door.
Wij konden vanuit huis de schepen zien liggen. ’s Morgens vroeg, als de schippersfamilie wakker werd, ging het luik open en werd de po leeggegooid in het kanaal. ’s Zaterdags werden de kinderen uitgekleed, en één voor één buiten boord een paar keer op en neer getild in het kanaal. Dat was hun wekelijkse verschoning.
Vader vertelde eens over Sjoerts, de torenwachter. Die moest tot 1923 elke avond naar boven in de Martinitoren, en er elk kwartier omheen lopen, om te kijken of er misschien brand was of ander onraad. Dan moest hij op zijn hoorn blazen om de politie te alarmeren. Het politiebureau was vlak naast de toren en er was nog geen telefoon. Boven in de toren kon het in de winter goed koud zijn. Hij had er daarom een klein kacheltje voor de warmte.
Zo tussen 1938 en 1948 werd er groot onderhoud aan de toren gepleegd. Daarom stond er een bouwsteiger met lift tot boven aan de toren. Nu woonde de stadsbeiaardier, de heer Jacob Everts, bij ons om de hoek. Met een paar vriendjes mochten we wel eens met hem mee naar boven, als hij het carillon bespeelde. Zo kunnen wij als één van de weinige Groningers vertellen, dat we met de lift naar boven op de toren geweest zijn.
Vóór 1945 was de stad nog overzichtelijk in mijn herinnering. In het zuiden hield de bebouwing op bij het Stadspark. In het westen lag Kostverloren al buiten de stad en aan de noordkant lag de Hoogte. Verderop bij Noorderhogebrug waren de kalkovens, die kalk brandden van schelpen. Daar lagen dan ook hele stapels schelpen. Als je nog verder liep, kon je door de weilanden lopen. Dat mocht natuurlijk niet van de boeren, maar we deden het toch. Aan de Korreweg was het Floresplein de grens. Daar kon je nog een heel eind door de weilanden lopen, tot aan het Nieuwe Kanaal. Ik kan me nog herinneren, dat ik als kleine jongen bij vader achterop de fiets helemaal buiten de stad bij Oosterhogebrug kwam. Daar waren in de diepte een heleboel mannen aan het graven. Ze schepten de grond in kruiwagens. Daarmee brachten ze het in kleine lorries, die daar beneden over rails reden, en die brachten het dan weer verder ergens heen. Dat is toen de sluis geworden in het Nieuwe Kanaal, of Van Starkenborghkanaal.
