Vroeger deed men veel aan zelfvoorziening. Zo ook mijn ouders. Achter ons huis aan de Graaf Adolflaan in Winschoten hadden we een grote groentetuin waar in de oorlogsjaren hoge tabaksplanten groeiden. Na de oogst werden de bladeren in een fabriek verwerkt tot tabak. De kwaliteit van de tabak was niet te vergelijken met de Amerikaanse tabak, maar in de oorlogsjaren was daar natuurlijk niet aan te komen.
In de tuin stonden ook twee hoge kersenbomen, die ieder jaar weer heerlijke pikzwarte kersen voortbrachten. Het grootste deel van de opbrengst van de groenten werd iedere herfst door mijn moeder in weckflessen gedaan voor de wintervoorraad. Het was een hele belangrijke aanvulling op het inkomen, want de lonen waren zeer laag in die jaren.
Naast de zelfvoorziening zorgde mijn moeder er voor dat er gespaard werd om kostbare noodzakelijke uitgaven te kunnen doen, zoals de wintervoorraad antraciet en aardappelen. Bij de voordeur van ons huis bevond zich een luik, waardoor de boer de zakken met aardappelen kon legen, die dan in de kelder precies op hun plaats van bestemming terechtkwamen. Als alle weckflessen ook waren gevuld, zei mijn moeder “nu zijn we rijk”. De overige groenten kocht mijn moeder van de groenteboer die een paar keer per week met zijn kar, getrokken door een pony, bij ons huis langs reed.
Mijn ouders ontvingen vanaf 1941 kinderbijslag, dat door de Duitse bezetters was ingevoerd. Jaren later vertelde mijn moeder dat haar buurvrouw daardoor nogal jaloers was op haar; zij moest haar negen kinderen opvoeden zonder deze royale bijdrage.
Na de oorlogsjaren werd er nog vaak oorlogstuig gevonden, niet alleen lege patroonhulzen, maar zelfs scherpe patronen. Dit gevaarlijk schiettuig vonden we vaak op de Rodeweg vlakbij het station. In de proeftuin tegenover ons huis vond ik op vierjarige leeftijd een echte revolver met een gat er dwars doorheen. Helaas werd mijn nieuwste speeltuig door mijn moeder direct in de gracht, tegenover ons huis, gegooid.
In mei 1945 ging ik met mijn moeder mee naar, wat nu het Oldambtplein wordt genoemd. Daar waar vroeger het Winschoterdiep langs liep, stonden veel mensen te juichen naar een colonne voertuigen, die via de Grindweg naar ons toekwamen. Vele jaren later heb ik mijn moeder gevraagd wat toch de oorzaak van die blijdschap was. Zij antwoordde mij: “Wist je dan niet dat dat de Canadezen waren, die ons bevrijd hebben van de Duitsers”? Wat mij alleen interesseerde, waren de vele auto’s die voorbij reden.
Met de economie ging het na de oorlog nog erg slecht, de lonen waren laag en sommige kruidenierswaren waren nog jaren na de oorlog alleen op de bon te krijgen. Het was voor mijn ouders erg moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen. Als kind was ik mij daar helemaal niet van bewust, omdat ik geen gebrek leed. Maar voor mijn ouders waren het moeilijke tijden. Familie in Amerika kwam ons tegemoet. Na de Tweede Wereldoorlog kregen we van hen welgeteld 120 pakketten, de meeste gevuld met kleren, maar ook met snoep en speelgoed. De kleren moesten we aan, wat we heel erg vonden, want de mode was daar heel anders dan bij ons in Nederland.
In 1950, toen ik negen jaar was, zag ik er nogal mager en bleek uit, net zoals zoveel andere kinderen. Daarom werden veel van deze bleekneusjes uitgezonden naar vakantiekoloniën om aan te sterken. Mij werd niet gevraagd of ik daar graag naar toe wilde, ik had geen inspraak. Op zekere dag bracht een mevrouw mij met nog drie andere kinderen met de trein naar het “Noorderhuis” te Hoogeveen, om daar na zes weken een pond of zes aan te komen. Soms denk ik nog wel eens, dat al deze vakantiekolonies niet nodig waren geweest als de lonen maar wat hoger waren geweest! Of mijn gezondheid daar echt verbeterde, dat betwijfel ik.
Op een gegeven moment dachten mijn ouders er verstandig aan te doen, om een, zoals men dat toen noemde, “eigen radio” aan te schaffen voor ongeveer 300 gulden. Dat bespaarde het wekelijkse huurbedrag van de radiodistributie van de PTT. Het voordeel van de PTT-radio was dat de vier radiostations die er te ontvangen waren storingvrij waren. Vaak heb ik gedacht, hadden ze maar nooit die radio gekocht, want de AM (middengolf) gaf vaak ernstige storingen. Dat was natuurlijk erg hinderlijk als er weer een spannend hoorspel van Paul Vlaanderen op de radio kwam. Handige zakenlui trachtten op de Adrillenmarkt in Winschoten antistoring apparaatjes te verkopen, die tussen hun radio en antenne aangesloten, op de markt wel perfect storingvrij functioneerden, maar geen enkel effect hadden thuis op de eigen radio! Een grote verbetering kwam er met de FM radio-uitzendingen.
Naast de zelfvoorziening en bezuinigingen, gooiden mijn ouders ook niets weg. Mijn vader bouwde eigenhandig drie schuren in de tuin, om daarin de spullen die hij gevonden of gekregen had te bewaren, want je kon nooit weten of je deze nog eens zou kunnen gebruiken. Na zijn overlijden in 1973 werd besloten om alles weg te doen. Met de inhoud van deze drie schuren vulden we 108 vuilniszakken met wat wij nu afval zouden noemen.
Aan het eind van de 50-er jaren emigreerden overburen van ons naar Australië. Vele gezinnen vertrokken naar de bekende emigratielanden Australië, Canada en Zuid-Afrika. De laatste groep emigranten die per het schip vertrokken, hebben nog met verbazing bemerkt, dat terwijl zij naar een verre bestemming afreisden, er uit Italië gastarbeiders naar Nederland werden gehaald. Veel emigranten heeft het later berouwd dat ze waren vertrokken, omdat ze van familie hoorden dat er in de zestiger jaren in Nederland een “loonexplosie” had plaatsgevonden. Dat betekende dat de lonen waren verdubbeld in een paar jaar tijd.
Mijn ouders konden zich daardoor meer veroorloven. Begin jaren zestig kregen we onze eerste zwart-wit tv. Alleen bij ons in het noorden van Nederland konden er vier tv-zenders worden ontvangen, twee Nederlandse en twee Duitse. De jaloerse westerlingen hebben nog heel wat jaren moeten wachten tot het ook bij hen zover was!
