Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen Oude raad, ‘olde borgerie’, ‘wijsheid’ en ‘mene achte’
Gecontroleerd door redactie

Oude raad, ‘olde borgerie’, ‘wijsheid’ en ‘mene achte’

[800-1594]
Afbeelding bij dit verhaal

Wanneer er in Groningen belangrijke zaken in het geding waren en in het bijzonder dan, wanneer de continuïteit van het beleid op het spel stond, werden niet alleen de leden van de gezworen meente om hun mening gevraagd, maar konden ook de op 22 februari afgetreden raadsheren (de ‘oude raad’) bij de beleidsvorming worden betrokken. Soms werden ook de kluft- of wijkmeesters ingeschakeld om de ‘olde borgeren’ voor overleg bijeen te roepen. Wie precies als ‘oude burgers’ werden beschouwd is niet bekend. We mogen echter aannemen dat de rotmeesters precies wisten wie er in hun straat of buurt oud en ervaren genoeg waren om serieus mee te kunnen denken over het te voeren beleid. Ook over de manier waarop de ‘olde borgeren’ werden geraadpleegd is zo goed als niets bekend. Waarschijnlijk werd hun mening wijksgewijs gepeild, maar er zijn ook gevallen bekend waarin ‘de hele burgerij’ in de Sint Walburgkerk bijeengeroepen werd.

Over de precieze betekenis van begrippen als ‘wijsheid’ en ‘mene achte’ bestaat onzekerheid. Een late bron-de aantekeningen van stadssyndicus dr. Wilhelmus Hammonius-verklaart echter uitdrukkelijk dat ‘burgemeesters en raad, oud en nieuw, met taalmannen, gezworen meente en bouwmeesters van de gilden de “wijsheid van deze stad” representeren’. De ‘mene achte’ is vermoedelijk niet een bestuurslichaam en ook geen algemene vergadering, maar het geheel van methodes met behulp waarvan de hele bevolking van Groningen haar wil tot uitdrukking bracht. Tot deze procedures behoorden de kluftsgewijze raadpleging van de bevolking, het bijeenroepen van de ‘olde borgeren’ en ook het houden van volksvergaderingen, meestal in een of meer kerken.

Een aanwijzing voor de manier waarop het volk in Groningen bij bestuurszaken werd ingeschakeld zouden we misschien kunnen zien in de procedure die in 1577 werd gevolgd om een grote som geld bijeen te brengen. Het geld was nodig om de schulden af te betalen die Stad en Lande waren aangegaan om de Waalse troepen af te kopen, die vanaf 1568 in de stad gelegerd waren geweest. Elke Groninger kreeg een aanslag opgelegd. Het door eenieder te betalen bedrag moest door de rotmeesters in hun eigen ‘rotten’ worden opgehaald en vervolgens afgedragen aan de leden van de gezworen meente die in hun kluft woonden. Dezen moesten de bijdrage van hun kluft bij de stadsrentmeester inleveren. De inning van het geld was dus ‘geografisch’ opgezet, zoals men ook in vele andere praktische zaken gewoon was te doen.

Voor het vaststellen van de hoogte van de aanslagen werd een speciale, twintig leden tellende commissie ingesteld. Overeenkomstig een besluit van de ‘borgeren’ moest elk van de vier kluften vijf leden van de commissie leveren. Uit de manier waarop de vier vijftallen moesten worden samengesteld blijkt dat men streefde naar een zo evenwichtig mogelijke vertegenwoordiging van de stadsbevolking en de belangen die in het geding waren: van de vijf leden die uit elke kluft werden afgevaardigd moesten er drie worden aangewezen door de kluft zelf, één door de gilden en één door de raad. Het doel van deze zorgvuldige opzet was uiteraard te voorkomen dat inwoners een te hoge of te lage aanslag werd opgelegd en dat het gestelde doel, het binnenhalen van voldoende geld, werd bereikt. Vervolgens werden uit deze grote commissie acht personen gekozen die over deze aangelegenheid contact moesten onderhouden met de Ommelander heren. Ook deze subcommissie was weer kluftsgewijs

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.

Verwante items