Het was mooi nazomerweer die zaterdag, toen Eppie ’s middags al vroeg met een tweeliter weckfles op stap ging om bramen te zoeken. Hij wou naar ’t Hamrik in Marum. Volgens Henk Boonstra, een schoolvriend van hem, zaten de braamstruiken daar barstens vol. En je hoorde ook bijna niemand die vanuit het dorp daar bramen ging zoeken. De heenreis wou hij de Noorderweg langs naar ’t Hamrik en daarna binnendoor naar De Petten.
“Als ik eerst maar de Stille Hoek voorbij ben, bij de woonwagens met de honden”, dacht hij. Eppie was altijd een beetje bang wanneer hij daar langs moest. In de verte blafte een hond. “Het kan ook het hondje van Renkema zijn, die blaft en komt niet van het erf af”, rekende Eppie al zo’n beetje uit. Een eindje voor zich uit zag hij al een paar woonwagens staan, rechts van de weg, verscholen onder de grote kruinen van eikenbomen. “Toch moet ik er langs”, mompelde hij. Voorzichtig naderde hij de vaalwitte woonwagens. Tegen de noordkant stonden de paarden met hun hoofden bijna op de grond. Eppie bekeek het trieste tafereel. Een paar meisjes waren aan het touwtje springen. Ze droegen veel te lange jurken en hun haar zat helemaal in de war. Gelukkig hoorde hij niet opnieuw blaffen, dus het was toch de hond van Renkema die blafte. “Toch wel een behelp, zo’n kleine ruimte”, dacht Eppie. De meester had er al eens over verteld. Meester zei: “Die mensen zijn alleen anders dan wij. En omdat ze vaak op een afstand gehouden worden, doen ze wat onvriendelijk aan.”
O, wat veel bramen. Soms moest Eppie er tegen rekken om ze te pakken te krijgen, omdat de mooiste vaak een beetje verscholen onder de bladeren boven de sloot hingen. Hij werd er moe van. Daarginds was De Petten al, bij de boerderij van Westerhof. En daar begon de zandree ook. Verderop was een sintelweg en daar rechts van de boerderij van Oosterhof. Eppie liep langs de boerderij en zag de zondagse schoenen alweer mooi gepoetst op de regenbak staan. “Dat is voor morgen, naar de kerk. De Westerhofs zijn ook kerks, net als wij. Eppie moest ineens lachen. Toen Westerhof in de kerkraad zat moest hij wel eens collecteren met een lange stok, waaraan op het eind de collectezak was bevestigd. Dan gebeurde het wel eens dat iemand aan de kwast van de collectezak trok wanneer hij helemaal uitgerekt stond om de laatste in de bank te kunnen bereiken. Het was een gemanoeuvreer met die lange stokken, rakelings over dameshoeden en langs muren. Af en toe werd er iets geraakt.
Toen hij in De Petten kwam, ging hij even zitten om uit te rusten. Hij voelde zich moe. Hij zette de weckfles in het lange gras en ging met de rug tegen een boom zitten. Eppie keek om zich heen, over het spanen landschap met struiken en gevaarlijke petgaten. “En toch is het hier mooi”, zuchtte hij. “Heerlijk om hier even wat bij te komen”. Het begon iets te waaien en de zon kroop langzaam achter de elzenwallen. Grijze wolken schoven voor de opkomende maan langs en gaven De Petten een wat spookachtig aanzien. Nu en dan verschenen er grillige lichte plekken op de oneffen grond, die zo vlug weer wegschoven en overgingen tot een moment dat er bijna niets meer te onderscheiden viel. Eppie rilde. Hij begon bang te worden. ’t Was nog een behoorlijk eind naar de verharde weg. Hier en daar stonden de struiken zowat op de ree. Het leek of ze heen en weer liepen. Er kon ook zomaar iets achter vandaan komen. ’t Was even weer een moment licht. Eppie ging staan, want hij meende al een poosje dat hij iets hoorde. Op de moerassige grond klonken alle geluiden zo door. “Daar beweegt iets op de ree! Een man?”, mompelde Eppie en ging gauw weer zitten om zo min mogelijk op te vallen. Een ogenblik kon hij niets meer onderscheiden. Maar toen het weer licht werd, zag hij een man aankomen. Een forse man op klompen met een donkere werkkiel aan stond nog maar een paar meter van hem verwijderd, midden op de ree. In zijn rechterhand droeg hij een grote donkere tas. “Lijkt wel een smid zo te zien. Wat moet ik met die man beginnen?”, schoot door Eppie’s gedachten.
Eppie dacht opeens aan smid Slachter, die de vorige week vertelde hoe de Franse smeden de paarden gingen beslaan. Als er een Franse boer bij hun in de smederij kwam met een paard die beslagen moest worden, dan haalden ze de vier voeten van het paard eraf en legden ze bij elkaar in de smederij. De boer ging met het paard naar huis en kwam later weer met het paard om de beslagen voeten weer op te halen. Zo’ n Franse smid kon dan op z’n gemak de voeten beslaan. Hij deed de paardevoeten één voor één in de bankschroef en had dan geen last van trappen van het paard.
“Hé!”, riep de man. Het angstzweet brak Eppie uit. Eppie kon hem helemaal niet verstaan, maar na veel gebarentaal begrepen ze elkaar. Toen de smid een keer ziek was, had zijn knecht de smederij wat opgeruimd en op onverklaarbare wijze waren de paardenvoeten zoekgeraakt. De smid wist nog veel uit de oorlog en ook was hij gewaargeworden dat er omnibussen waren beschoten bij café Aalders in Niebert, dat de paarden naar de noodslachting waren gebracht en ook dat de paardenvoeten met ijzers en al in een petgat in de Petten waren gegooid. Eppie herinnerde zich dat alles nog precies, ook waar de voeten nog moesten liggen. “Kijk!”, riep hij en wees naar een paar elzenstruiken. “Daar, voor in de moerassige grond, daar moeten ze liggen.” De smid leefde op en kreeg weer moed. Eppie deed al een paar stappen naast de ree in de richting van de bewuste plek. “Help!, Help!”, riep hij opeens, want hij begon weg te zakken in de moerassige grond.
“Wat moet jij hier te schreeuwen?”, Eppie schrok wakker en zag boer Westerhof vlak voor hem staan. Westerhof had de melkbussen naar de weg gebracht en hoorde op de terugweg opeens “Help” roepen. Hij dacht direct dat er iemand in de Petten weggezakt was en maakte zich al zorgen. “En jij zit hier rustig in het gras, met de rug tegen de boom. En ook nog een grote weckfles met bramen.” “Ja, ja”, stotterde Eppie en wreef z’n ogen uit. Hij moest eerst wat bijkomen en kijken waar hij wel was. “Ja, ik ben hier even gaan zitten om wat uit te rusten, toen ben ik natuurlijk in slaap gevallen. Ik heb zo vreemd gedroomd.” “Nou jij hebt mij anders aardig de stuipen op het lijf gejaagd”, zei Westerhof streng. “Ja”, zei Eppie vol schuldgevoel. “Ik droomde dat ik hier wegzakte en riep toen misschien wel heel hard.” “Nou ja”, zei Westerhof, die het toch maar geloofde. “Maak nou maar gauw dat je thuis komt, want je moeder zal wel ongerust zijn waar je blijft”. Eppie pakte z’n weckfles uit het gras en stond op, strompelde door het gras naar de ree. “Dag hoor”, groette hij. “Ja, dag”, zei Westerhof en bleef nog even staan kijken over de gerepte Petten. ‘t Is hier mooi, heel mooi zelfs, maar levensgevaarlijk voor iemand die het niet kent, mompelde Westerhof.
