Overblijfsel van Groningse handelsgeest
Aan het Hoge der A in Groningen staat het Pakhuis Libau. Het is een van de panden die nog herinneren aan het handelsverleden van de stad.
De stad Groningen maakte al in de dertiende eeuw deel uit van het Duitse Hanzeverbond, maar de band met de Hanze was niet altijd even sterk. Gegevens over de handelscontacten van Groninger handelaren zijn bovendien schaars. In latere eeuwen speelde met name Amsterdam een belangrijke rol bij de graanhandel. Mogelijk profiteerde de stad Groningen hiervan mee. De aanwezigheid van het graanpakhuis Libau lijkt daarop te wijzen.
Handelaren vernoemden hun pakhuizen vaak naar de plaatsen waarmee zij handelden. Libau is zo’n plaats, het is de Duitse naam voor de Letse havenstad Liepaja. We mogen er vanuit gaan dat de naam Pakhuis Libau eeuwenoud is, maar ook weer niet zo oud als het pakhuis zelf. De ‘leeftijd’ van het pakhuis is niet precies bekend, maar het moet ergens tussen de 700 en 1000 jaar zijn.
Voorheen stond er een houten gebouw op deze plaats. Daarvan zijn houten balken hergebruikt bij de bouw van het huidige pand. Deze balken kunnen wel 1000 jaar oud zijn. In de Gouden Eeuw was er een bierbrouwerij in het pand gevestigd. Dat blijkt uit de 17e-eeuwse kaart van Haubois. Deze toont een putstoel, een houten stelling waarmee het nodige water in het pand werd gebracht. Dit water, zuiver en rechtstreeks afkomstig uit de Drentse A, was onmisbaar bij het brouwproces. De plaats aan het Hoge der A was zo ideaal, dat er nog 11 andere brouwerijen waren.
Tot 1882 had het pakhuis een gotische voorgevel, vergelijkbaar met het Scheepvaartmuseum in de Brugstraat. Toen werd het flink verbouwd en kreeg het een nieuwe gevel met bakstenen in Gronings rood. Een steen in de zijmuur aan de Haaksgang herinnert hier nog aan. Oorspronkelijk bestond het gebouw ook uit meerdere panden. Dat is binnen nog herkenbaar. Pas bij een recente verbouwing, enkele jaren geleden, werd er op een deel van het gebouw een glazen kap geplaatst. Voor de verbouwing van 1882 werd de benedenverdieping bewoond door kooplieden en waren alleen de hogere verdiepingen voor de opslag van goederen in gebruik. Op de begane grond, waar zich ooit het woongedeelte bevond, is nog te zien waar ooit de stookplaats was. Het pand was in dat opzicht vergelijkbaar met het ‘Huis Eem’ op nummer 6. Op een van de zolders is nog een hijsinstallatie bewaard gebleven en op de gebinten van de oude kap zijn nog sporen van karwijzaad. Dat is waarschijnlijk een overblijfsel van de Groninger Zaaizaadvereniging, die hier in 1933 een apparaat had staan om karwijzaad te reinigen.
In 1996 vestigde zich het bureau Welstands- en Monumentenzorg Groningen in het pand. Deze organisatie noemde zich vervolgens Libau. Tegenwoordig biedt zij ook onderdak aan de steunpunten monumentenzorg en archeologie en aan het kantoor van de monumentenwacht.
